Toepassing wettelijk bewijsvermoeden

De jarenlange discussie en strijd over de schadeoorzaak van bodembeweging door gaswinning in het Groningenveld, leidde er op 31 december 2016 toe dat er een nieuwe wet van kracht werd: Wet bewijsvermoeden gaswinning Groningen. Vaak afgekort met het 'wettelijke bewijsvermoeden'. De wet regelt een omkering van de bewijslast als het bewijsvermoeden van toepassing is.

Formulering bewijsvermoeden

Een belangrijke stap voor de Groningers en Drenten met mijnbouwschade. Het bewijsvermoeden luidt in het kort: 

“Bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld zou kunnen zijn, wordt vermoed dat die schade veroorzaakt is door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.”

Wettelijk bewijsvermoeden ‘vaag’

Al vanaf het eerste begin werd duidelijk dat de TCMG zelf moest gaan vaststellen waar er redelijkerwijze nog sprake is van schade door gaswinning in het Groningenveld of de gasopslag in Norg. Het wettelijk bewijsvermoeden dat hiervoor een belangrijke steun vormt, is op die punten namelijk bewust vaag gehouden door de wetgever door begrippen als ‘naar haar aard’ en ‘redelijkerwijs’. Het moest in de praktijk duidelijk worden.

Eenvoudiger en eenduidiger

Begin 2019 werd een advies opgeleverd en in beginsel door de TCMG overgenomen van een panel van onafhankelijke, specialistische deskundigen. Voor het eerst leverden zij meer concrete handvatten waarmee het wettelijk bewijsvermoeden in de praktijk kon worden toegepast. Het is een voorwaarde geweest voor een voortvarender en grootschaliger schade-afhandeling met behoud van zorgvuldigheid en ruimhartigheid. Ook het IMG hanteert nu consequent dit wettelijk bewijsvermoeden bij de beoordeling van fysieke schade aan gebouwen en objecten.

Welke schade en afstand precies

Het advies beschrijft tot welke afstand van het Groningenveld en de gasopslag Norg schade wordt vermoed veroorzaakt te zijn door mijnbouw. En ook op welke wijze dat in een concreet geval nu en in de toekomst kan worden berekend. Daarbij wordt voor het eerst beschreven welke soort schade zonder meer niet wordt vermoed mijnbouwschade te zijn.

Verlicht en steun in de rug

Over het wettelijk bewijsvermoeden onderschrijft het panel dat het een verlichting betekent van de bewijslast voor schademelders. Het wettelijke bewijsvermoeden maakt dat, indien van toepassing, de aanvrager van vergoeding een belangrijke steun heeft om te bewijzen dat mijnbouw invloed had op het ontstaan van de schade.

Het bewijsvermoeden, eenmaal van toepassing, kan alleen worden weerlegd als de deskundige een ‘evident en aantoonbaar’ andere oorzaak van de schade motiveert. Louter op basis van de wettekst was echter veel minder duidelijk voor welke schade het bewijsvermoeden dan precies van toepassing is, zeker waar het gaat om de geografische afstand tot de bodembeweging. Het advies brengt daar verandering in. De belangrijkste uitkomsten:

  • Het wettelijk bewijsvermoeden is van toepassing bij schade aan gebouwen of werken gesitueerd boven het Groningenveld of de gasopslag Norg en tot zes kilometer daarbuiten. Het gaat dan om schade door bodemdaling, -stijging en (trillingen van) aardbevingen.
  • Maar voor gebouwen of werken buiten dat gebied kan het bewijsvermoeden alsnog van toepassing zijn. Als een aardbeving in het Groningenveld of de gasopslag Norg bij het gebouw tot een trillingssnelheid van de bodem ter plaatse leidde die hoger is dan wat normaal is in Nederland (minimaal 2 mm/s, met een marge van 1 procent), geldt het ook. Mits dat in de periode plaatsvond waarin de schade vermoed is te zijn ontstaan.

Als voorbeeld: de aardbeving bij Huizinge heeft tot op 35,05 kilometer van het epicentrum tot dergelijke trillingssterkte geleid, maar de precieze afstand hangt ook af van de eigenschappen van de bodem. De aardbeving kan dus ook schade hebben veroorzaakt aan gebouwen die bijvoorbeeld in 2012 (ten tijde van de beving Huizinge) schade opliepen en tot op die afstand staan.

  • Van gebouwen of bouwwerken die voldoen aan het tweede criterium, mag van een groot aantal soorten schades niet zonder meer worden vermoed dat ze niet door gaswinning of gasopslag zijn veroorzaakt of verergerd. Ook al is dat aan de schade zelf meestal niet te zien. Denk aan horizontale, verticale en diagonale scheuren in binnen- en buitenmuren en in vloeren. En scheuren die duiden op een verschilbeweging tussen verschillende bouwdelen. Het gaat ook om krimpscheuren tussen twee verschillende materialen of ter plaatse van overgangen en om schade als gevolg van zettingen. Als de deskundige van oordeel is dat er een andere oorzaak is, dan moet hij dat deugdelijk motiveren. Het advies heeft dit voor alle onafhankelijke deskundigen eensluidend uitgewerkt.

Uitzonderingen zijn er ook

Voor sommige type schade geldt het wettelijk bewijsvermoeden niet. Er mag zonder meer worden aangenomen dat deze niet door mijnbouw is veroorzaakt, stelt het panel. Het gaat om schade zoals ‘verkleuring, vlekvorming’, ‘afbladderen van verfwerk’, ‘loslaten/onthechten van verf-/kitwerk’, ‘veroudering, verwering’ en ‘krimpscheuren ín materialen’ (bijvoorbeeld scheuren in houten balken, in een baksteen e.d., dus niet tussen twee verschillende materialen). Voor het tweede criterium adviseren de deskundigen wel een uitzondering voor extra kwetsbare gebouwen op bijzondere locaties op te nemen. In het advies van het panel staat dat allemaal beschreven.

Voorbeeld beoordeling

Er is een schademelding bij het IMG gedaan voor een gebouw op 10 kilometer buiten de buitenste grens van het Groningenveld. Het gaat om schade aan een pand uit 1980 en er is nog niet eerder schade gemeld. De schade voldoet dan niet aan het criterium dat deze maximaal 6 kilometer buiten het Groningenveld ligt. Een berekening laat echter zien dat ter plaatse een beving als gevolg van de gaswinning in het Groningenveld in de afgelopen dertig jaar een grotere grondversnelling (trilling) veroorzaakte dan 2 mm/s met een overschrijdingskans van 1%. Op basis van de geografische ligging is voor de schade het wettelijk bewijsvermoeden daarmee alsnog van toepassing. Als ook de scheuren zelf naar oordeel van de deskundige op grond van de wet vermoed worden het gevolg te zijn van mijnbouw en er geen argumenten zijn om dit vermoeden te weerleggen, dan kan hij hier het advies vergoeding van mijnbouwschade geven.

Het panel bestond uit de volgende personen:

  • Prof. mr. A.I.M. van Mierlo (voorzitter) (1957) is hoogleraar privaatrecht aan de Erasmus School of Law, hoogleraar Burgerlijk Procesrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en tevens advocaat te Rotterdam.
  • Prof. mr. P.J.J. van Buuren (1950) maakte tot medio 2017 als Staatsraad deel uit van de Raad van State. Hij was gedurende 25 jaar hoogleraar bestuursrecht van de Universiteit Utrecht.
  • Ir. W.A.B. Meiborg (1951) is een onafhankelijk deskundige gespecialiseerd in grondmechanica en funderingstechnieken en heeft zich in de afgelopen jaren beziggehouden met schades aan gebouwen en funderingen, ook in Groningen.
  • Ir. P.C. van Staalduinen (1963) is thans zelfstandig adviseur, daarvoor directeur/bestuurder van Syntens Innovatiecentrum en vóór 2007 onder meer directeur van TNO Bouw.
  • Ing. J. Nagtegaal NIVRE-re (1960) is sinds 1990 werkzaam als schade-expert, is in 1998 ingeschreven in het register van de Stichting Nederlands Instituut Van Register Experts (NIVRE) en sinds 2009 ingeschreven in het Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen (LRGD).
  • Mevrouw mr. S.A. Gawronski M.Jur. (1985) is opgetreden als secretaris van het panel. Zij is advocaat te Rotterdam en gespecialiseerd in bestuurs(proces)recht.