17 mei 2021

1 reactie

Actualisatie van het beoordelingskader

Om een besluit te kunnen nemen over vergoeding van fysieke schade (zoals scheuren in muren), moet het IMG de schade beoordelen. Voor iedereen bestaat de mogelijkheid dit via een maatwerk schadeprocedure te doen. Het wettelijk bewijsvermoeden Groningen is daarbij een zeer belangrijk uitgangspunt.

boom huizen

Bewijsvermoeden

In het kort luidt het bewijsvermoeden: “Bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld zou kunnen zijn, wordt vermoed dat die schade veroorzaakt is door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.”

Het is daarmee een belangrijke hulp voor de Groninger met schade. Als het wettelijk bewijsvermoeden van toepassing is, wordt vermoed dat de schade door mijnbouw is veroorzaakt. Dat betekent niet dat zonder meer (alle) schade wordt vergoed. Het betekent wel dat er in de praktijk een hoge drempel is voor het omgekeerde: het afwijzen van een aanvraag.

Grootschalige toepassing

Het IMG is de enige instantie die het bewijsvermoeden grootschalig toepast. Het is dus in grote mate aan ons om te bepalen hoe dit bewijsvermoeden in de praktijk toe te passen zoals de wetgever het heeft bedoeld. Het bewijsvermoeden roept een aantal prangende vragen op die de wetgever bewust vaag heeft gehouden, zoals:

  • Hoe moet ‘naar haar aard redelijkerwijze’ worden gezien? Hoe moet schade er uitzien om schade door mijnbouw te kunnen zijn?
  • Welke ‘beweging van de bodem’ wordt er bedoeld en tot waar kan die beweging dan geografische gezien vermoedelijk nog schade veroorzaken?
  • Als het aannemelijk is, dat er een andere oorzaak is, wanneer wordt dan de bodembeweging vermoed niet meer de schade te hebben (mede-)veroorzaakt?
  • Hoe zeker moet je ervan zijn dat er een andere oorzaak van de schade is?

Advies panel van deskundigen

Voor een antwoord op die vragen is een panel van deskundigen gevraagd te adviseren over praktische handvatten voor toepassing van het wettelijk bewijsvermoeden. In januari 2019 is dit advies opgeleverd. Sindsdien wordt het door het IMG (en voorganger de TCMG) gebruikt bij de beoordeling van mijnbouwschade.

Voorbeeld uit de praktijk

Zoals valt te lezen in de brief aan de minister van Economische Zaken en Klimaat en in de maatregelen die IMG in dit nieuwsbericht heeft bekend gemaakt, moeten we vaststellen dat het na 80.000 afgehandelde schademeldingen tijd is voor een actualisatie en verfijning van dit kader. In de praktijk doet zich onder meer de volgende situatie voor:

  • Het IMG vraagt een onafhankelijke deskundige te adviseren over de schadeoorzaak en de schadeomvang. Voor het bepalen van de schadeoorzaak wordt gevraagd te adviseren in het licht van het beoordelingskader.
  • Ook in gebieden waar relatief lage trillingssterktes zijn geweest, is het bewijsvermoeden van toepassing. Er kan immers niet op voorhand in zijn geheel worden uitgesloten dat er schade kan zijn ontstaan.
  • Een deskundige kan dan bijvoorbeeld in een woning gemiddeld wel 20 schades vaststellen en opnemen. Als de schades naar ‘hun aard’ mijnbouwschade kunnen zijn, bijvoorbeeld een scheur in een muur, is het aan de deskundige om te beoordelen of er een uitsluitend andere oorzaak is die de schade kan hebben veroorzaakt.
  • Het kan daarbij voorkomen dat vrijwel elke deskundige het erover eens is dat er een andere oorzaak is. Maar de discussie ontstaat of die schade de uitsluitende oorzaak is of dat er toch een kans is dat de trillingen de schade hebben verergerd of eerder hebben doen ontstaan.
  • Als een deskundige vindt dat hij voldoende zeker is van zijn zaak, dan wijst hij de schade af. Als een deskundige daar echter net niet voldoende zeker van is, dan zal hij de schade wel als mijnbouwschade moeten beoordelen. Het voordeel van de twijfel gaat naar de Groninger.
  • Aangezien het IMG dan vraagt de schadeomvang ruimhartig te calculeren en bovendien bij eenvoudige schade dan vaak de gehele schade (niet louter het verergerde deel) vergoed, kan er in geval van gemiddeld twintig schades nog een behoorlijke schadevergoeding volgen.
  • Waar dus de ene deskundige voldoende aannemelijk en aantoonbaar vindt dat er een uitsluitend andere oorzaak is, kan de andere deskundig net even anders oordelen. Het gevolg is echter dat in de ene situatie geen of veel minder schade wordt vergoed in een dossier en in de andere situatie alle schade wordt vergoed.
  • Het beoordelingskader zoals dat door het panel van deskundigen was geadviseerd, biedt de deskundigen geen handvatten, dus geen richting, om in deze situatie tot een juiste beoordeling te komen. Dit leidt tot soms grote verschillen tussen de schadevergoeding op het ene adres vergeleken met een naastgelegen adres waar de schade in veel opzichten haast identiek is.

Zo zijn er nog meer vraagstukken waar het oorspronkelijke beoordelingskader geen handvatten voor bood. Denk daarbij aan schade aan mestkelders, zettingsschade en schade door diepe bodemdaling. Ook was er discussie ontstaan over welke schade ‘naar haar aard’ wel of geen mijnbouwschade kan zijn. Afgelopen periode zijn er diverse aanvullende adviezen gekomen over dit soort schades.

Actualiseren en verfijnen

Het IMG heeft nu besloten het beoordelingskader te actualiseren en te verfijnen om zo meer praktische handvatten te hebben voor het beoordelen van schade. In bijgaande afbeelding (link naar pdf) is te zien hoe het oorspronkelijke beoordelingskader was en hoe het geactualiseerde beoordelingskader is. Bekijk ook het webinar over dit onderwerp. De belangrijkste verschillen zijn:

  • Bij de vraag: “Kan de schade naar haar aard mijnbouwschade zijn (bijv. niet bij vlekvorming, etc.)” komen er meer voorbeelden die aangeven welke schade naar haar aard geen mijnbouwschade kunnen zijn. In het oorspronkelijke advies stonden onder meer ‘vlekvorming en afbladderende verf’ genoemd. Daar komt bijvoorbeeld bij craquelé in beton.
  • Bij de vraag: “locatie gebouw” zullen de nieuwste inzichten rond de kans op schade door diepe bodemdaling worden verwerkt. Niet langer geldt het geografische gebied van het Groningenveld en de gasopslag Norg plus een bufferzone van 6 km. Er zullen nog nadere te bepalen ‘risicolocaties’ worden bepaald waar indirecte schade door diepe bodemdaling kan zijn ontstaan.
  • Bij de vraag: “Is het op basis van de trillingssnelheid ter plaatse aannemelijk dat trillingen dit type schade toch hebben doen ontstaan ('getriggerd') of hebben verergerd?” worden trillingssterktes bepaald voor diverse type materialen en omstandigheden die de deskundige en het IMG moeten helpen zekerheid te bieden of te ontkrachten dat de eventueel eerder al door een deskundige waargenomen andere oorzaak de schade geheel heeft veroorzaakt.
  • Aanvullend hierop gelden er specifieke trillingssterktes die moeten helpen de vraag te beantwoorden of een mestkelder door trillingen kan zijn beschadigd of dat zettingsschade door trillingen kan zijn veroorzaakt.

Bewijsvermoeden nog steeds van groot belang

Zodoende is het wettelijk bewijsvermoeden nog steeds van hetzelfde grote belang. De toepassing ervan wijzigt op onderdelen nog wel. Maar als het wettelijke bewijsvermoeden van toepassing is (geografisch gezien) en de schade ‘naar haar aard’ mijnbouwschade wordt vermoed te zijn, dan geldt nog steeds een hoge drempel voor weerlegging van dat bewijsvermoeden. Daarbij wordt in principe pas in de laatste plaats gekeken naar praktische handvatten zoals trillingssterktes.

Nadere uitwerking

Komende tijd zal het IMG de praktische handvatten nader uitwerken. Dat zal ook in de toekomst blijven gebeuren. De expertisebureaus die de deskundigen inzetten, onderschrijven ook het belang om te beschikken over geactualiseerde handvatten voor de beoordeling en de richting die het IMG hierbij aangeeft. Zij zullen hun deskundigen dan ook vragen te adviseren met de handvatten uit dit kader. De deskundige is uiteindelijk immers eindverantwoordelijk voor zijn advies en de manier waarop hij het juridisch kader en de praktische handvatten toepast in een individueel dossier. Daarin is hij ook onafhankelijk. Zo gauw de extra praktische handvatten vaststaan, zal het IMG die hier publiceren.

Reageren

H,Veenstra 23 mei 2021 - 16:28

Het is onvooorstelbaar, dat het IMG op basis van zo'n smal en onvolledig rapport (van slechts 3 wetenschappers uit de "Delftse school") besluit tot het fundamenteel ondergraven van het ettelijk Bewijsvermoeden in de randgebieden (door het IMG betiteld als " effectgebieden"). Het onderzoek is onvolledig (gaat geheel niet over de kans op indirecte schade) en onvoldragen, omdat er vooral gespeeld is met computer simulaties.Dat het IMG alsnog onderzoek laat doen naar indirecte schade door Deltares geeft ook weinig vertrouwen. Bij de zeer forse schade aan huizen aan het Twente-kanaal heeft dit bureau de plank grandioos mis geslagen door te beweren, dat het niets te maken kon hebben met het fors uitdiepen van het genoemde kanaal. Het IMG lijkt paniekvoetbal te spelen. En zij zijn m.i. behoorlijk de weg kwijt. Schademelders in de randgebieden draaien zelf weer op voor de bewijslast.Voorheen stond de individuele schademelder allen tegenover de NAM. Nu staat die eigenlijk ook tegenover het IMG en zijn 150 juristen. Het IMG heeft voor de randgebieden het Wettelijk Bewijsvermoeden tot lege huls verklaard (en voorlopig gemaakt!...)

Reactie toevoegen