Verder naar inhoud
Terug naar overzicht

Actualisatie van het beoordelingskader

30.jpg

Om een besluit te kunnen nemen over vergoeding van fysieke schade (zoals scheuren in muren), moet het IMG de schade beoordelen. Voor iedereen bestaat de mogelijkheid dit via een maatwerk schadeprocedure te doen. Het wettelijk bewijsvermoeden Groningen is daarbij een zeer belangrijk uitgangspunt.

Bewijsvermoeden

In het kort luidt het bewijsvermoeden: “Bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld zou kunnen zijn, wordt vermoed dat die schade veroorzaakt is door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.”

Het is daarmee een belangrijke hulp voor de Groninger met schade. Als het wettelijk bewijsvermoeden van toepassing is, wordt vermoed dat de schade door mijnbouw is veroorzaakt. Dat betekent niet dat zonder meer (alle) schade wordt vergoed. Het betekent wel dat er in de praktijk een hoge drempel is voor het omgekeerde: het afwijzen van een aanvraag.

Grootschalige toepassing

Het IMG is de enige instantie die het bewijsvermoeden grootschalig toepast. Het is dus in grote mate aan ons om te bepalen hoe dit bewijsvermoeden in de praktijk toe te passen zoals de wetgever het heeft bedoeld. Het bewijsvermoeden roept een aantal prangende vragen op die de wetgever bewust vaag heeft gehouden, zoals:

  • Hoe moet ‘naar haar aard redelijkerwijze’ worden gezien? Hoe moet schade er uitzien om schade door mijnbouw te kunnen zijn?
  • Welke ‘beweging van de bodem’ wordt er bedoeld en tot waar kan die beweging dan geografische gezien vermoedelijk nog schade veroorzaken?
  • Als het aannemelijk is, dat er een andere oorzaak is, wanneer wordt dan de bodembeweging vermoed niet meer de schade te hebben (mede-)veroorzaakt?
  • Hoe zeker moet je ervan zijn dat er een andere oorzaak van de schade is?

Advies panel van deskundigen

Voor een antwoord op die vragen is een panel van deskundigen gevraagd te adviseren over praktische handvatten voor toepassing van het wettelijk bewijsvermoeden. In januari 2019 is dit advies opgeleverd. Sindsdien wordt het door het IMG (en voorganger de TCMG) gebruikt bij de beoordeling van mijnbouwschade.

Voorbeeld uit de praktijk

Zoals valt te lezen in de brief aan de minister van Economische Zaken en Klimaat en in de maatregelen die IMG in dit nieuwsbericht heeft bekend gemaakt, moeten we vaststellen dat het na 80.000 afgehandelde schademeldingen tijd is voor een actualisatie en verfijning van dit kader. In de praktijk doet zich onder meer de volgende situatie voor:

  • Het IMG vraagt een onafhankelijke deskundige te adviseren over de schadeoorzaak en de schadeomvang. Voor het bepalen van de schadeoorzaak wordt gevraagd te adviseren in het licht van het beoordelingskader.
  • Ook in gebieden waar relatief lage trillingssterktes zijn geweest, is het bewijsvermoeden van toepassing. Er kan immers niet op voorhand in zijn geheel worden uitgesloten dat er schade kan zijn ontstaan.
  • Een deskundige kan dan bijvoorbeeld in een woning gemiddeld wel 20 schades vaststellen en opnemen. Als de schades naar ‘hun aard’ mijnbouwschade kunnen zijn, bijvoorbeeld een scheur in een muur, is het aan de deskundige om te beoordelen of er een uitsluitend andere oorzaak is die de schade kan hebben veroorzaakt.
  • Het kan daarbij voorkomen dat vrijwel elke deskundige het erover eens is dat er een andere oorzaak is. Maar de discussie ontstaat of die schade de uitsluitende oorzaak is of dat er toch een kans is dat de trillingen de schade hebben verergerd of eerder hebben doen ontstaan.
  • Als een deskundige vindt dat hij voldoende zeker is van zijn zaak, dan wijst hij de schade af. Als een deskundige daar echter net niet voldoende zeker van is, dan zal hij de schade wel als mijnbouwschade moeten beoordelen. Het voordeel van de twijfel gaat naar de Groninger.
  • Aangezien het IMG dan vraagt de schadeomvang ruimhartig te calculeren en bovendien bij eenvoudige schade dan vaak de gehele schade (niet louter het verergerde deel) vergoed, kan er in geval van gemiddeld twintig schades nog een behoorlijke schadevergoeding volgen.
  • Waar dus de ene deskundige voldoende aannemelijk en aantoonbaar vindt dat er een uitsluitend andere oorzaak is, kan de andere deskundig net even anders oordelen. Het gevolg is echter dat in de ene situatie geen of veel minder schade wordt vergoed in een dossier en in de andere situatie alle schade wordt vergoed.
  • Het beoordelingskader zoals dat door het panel van deskundigen was geadviseerd, biedt de deskundigen geen handvatten, dus geen richting, om in deze situatie tot een juiste beoordeling te komen. Dit leidt tot soms grote verschillen tussen de schadevergoeding op het ene adres vergeleken met een naastgelegen adres waar de schade in veel opzichten haast identiek is.

Zo zijn er nog meer vraagstukken waar het oorspronkelijke beoordelingskader geen handvatten voor bood. Denk daarbij aan schade aan mestkelders, zettingsschade en schade door diepe bodemdaling. Ook was er discussie ontstaan over welke schade ‘naar haar aard’ wel of geen mijnbouwschade kan zijn. Afgelopen periode zijn er diverse aanvullende adviezen gekomen over dit soort schades.

Actualiseren en verfijnen

Het IMG heeft nu besloten het beoordelingskader te actualiseren en te verfijnen om zo meer praktische handvatten te hebben voor het beoordelen van schade. In bijgaande afbeelding (link naar pdf) is te zien hoe het oorspronkelijke beoordelingskader was en hoe het geactualiseerde beoordelingskader is.
(UPDATE: In augustus 2022 is de schematische weergave van het beoordelingskader opnieuw geactualiseerd.) 
Bekijk ook het webinar over dit onderwerp. De belangrijkste verschillen zijn:

  • Bij de vraag: “Kan de schade naar haar aard mijnbouwschade zijn (bijv. niet bij vlekvorming, etc.)” komen er meer voorbeelden die aangeven welke schade naar haar aard geen mijnbouwschade kunnen zijn. In het oorspronkelijke advies stonden onder meer ‘vlekvorming en afbladderende verf’ genoemd. Daar komt bijvoorbeeld bij craquelé in beton.
  • Bij de vraag: “locatie gebouw” zullen de nieuwste inzichten rond de kans op schade door diepe bodemdaling worden verwerkt. Niet langer geldt het geografische gebied van het Groningenveld en de gasopslag Norg plus een bufferzone van 6 km. Er zullen nog nadere te bepalen ‘risicolocaties’ worden bepaald waar indirecte schade door diepe bodemdaling kan zijn ontstaan.
  • Bij de vraag: “Is het op basis van de trillingssnelheid ter plaatse aannemelijk dat trillingen dit type schade toch hebben doen ontstaan ('getriggerd') of hebben verergerd?” worden trillingssterktes bepaald voor diverse type materialen en omstandigheden die de deskundige en het IMG moeten helpen zekerheid te bieden of te ontkrachten dat de eventueel eerder al door een deskundige waargenomen andere oorzaak de schade geheel heeft veroorzaakt.
  • Aanvullend hierop gelden er specifieke trillingssterktes die moeten helpen de vraag te beantwoorden of een mestkelder door trillingen kan zijn beschadigd of dat zettingsschade door trillingen kan zijn veroorzaakt.

Bewijsvermoeden nog steeds van groot belang

Zodoende is het wettelijk bewijsvermoeden nog steeds van hetzelfde grote belang. De toepassing ervan wijzigt op onderdelen nog wel. Maar als het wettelijke bewijsvermoeden van toepassing is (geografisch gezien) en de schade ‘naar haar aard’ mijnbouwschade wordt vermoed te zijn, dan geldt nog steeds een hoge drempel voor weerlegging van dat bewijsvermoeden. Daarbij wordt in principe pas in de laatste plaats gekeken naar praktische handvatten zoals trillingssterktes.

Nadere uitwerking

Komende tijd zal het IMG de praktische handvatten nader uitwerken. Dat zal ook in de toekomst blijven gebeuren. De expertisebureaus die de deskundigen inzetten, onderschrijven ook het belang om te beschikken over geactualiseerde handvatten voor de beoordeling en de richting die het IMG hierbij aangeeft. Zij zullen hun deskundigen dan ook vragen te adviseren met de handvatten uit dit kader. De deskundige is uiteindelijk immers eindverantwoordelijk voor zijn advies en de manier waarop hij het juridisch kader en de praktische handvatten toepast in een individueel dossier. Daarin is hij ook onafhankelijk. Zo gauw de extra praktische handvatten vaststaan, zal het IMG die hier publiceren.

  • Welke situaties kunnen zich nu voordoen?

    1. Aanvragen ingediend vóór 5 november waar vergoeding voor waardedaling werd toegekend, maar waar blijkt dat er sprake is van uitgevoerd of nog uit te voeren sloop en nieuwbouw. De vergoeding wordt bij deze groep niet teruggevorderd. Gelijke gevallen moeten immers gelijk worden behandeld. Dit vloeit voort uit het feit dat de minister verzocht geen vergoeding terug te vorderen en de kosten daarvan voor zijn rekening te nemen.
    2. Aanvragen ingediend ná 5 november. Er is dan expliciet in de procedure ‘nee’ geantwoord op de vraag of de aanvrager bekend is met sloop en nieuwbouw op zijn adres. Als het adres ook niet voorkomt op de dan aanwezige NCG-lijst, keert het IMG vergoeding uit. Als later het adres alsnog op de NCG-lijst komt, zal het IMG onderzoeken of de aanvrager had kunnen weten dat er sprake is van sloop en nieuwbouw. In die gevallen vordert het IMG de vergoeding terug, waarbij waar nodig maatwerk zal worden toegepast in de wijze waarop.
    3. Aanvragen voor vergoeding van waardedaling ingediend én besloten door het IMG vóórdat de NCG een toezegging doet over sloop en nieuwbouw worden door het IMG vergoed. Als voorafgaand aan besluitvorming door het IMG wel al wordt doorgegeven door de NCG dat sloop en nieuwbouw zijn toegezegd, dan wijst het IMG de aanvraag af.
  • Hoe wordt het gemiddelde berekend?

    Het gemiddelde voor het IMG wordt gebaseerd op het gemiddelde cijfer dat voor de afhandeling van fysieke schade wordt gegeven en op het gemiddelde cijfer dat voor waardedaling wordt gegeven. Daarbij wordt meegewogen hoeveel besluiten het IMG nam voor die specifieke regeling. Hiermee zegt het gemiddelde zo veel mogelijk over de beleving van alle aanvragers over alle besluiten.

    Na het besluit over een aanvraag tot vergoeding van fysieke schade is daarbij de vraag: “Welk rapportcijfer geeft u het besluit dat u ontvangen heeft?” Sinds de start van de meting (juni 2019) gaven 8.000 respondenten een 7,7.
    Na een besluit over een aanvraag voor Waardedaling is daarbij de vraag: “Hoe tevreden bent u over het indienen en afhandelen van uw aanvraag?” Sinds de start van deze meting (november 2020) gaven 6.752 respondenten een 8,1.

    Aangezien de respons op het verzoek om een reactie op de enquête voor beide regelingen hoog is (meer dan 25 procent voor de enquête over het besluit), worden beide cijfers als representatief beschouwd voor de beoordeling van een van beide regelingen. Maar de aantallen besluiten over de regelingen kennen getalsmatig geen gelijke omvang.

    Het totaalaantal besluiten van het IMG voor beide regelingen is momenteel 107.606. Er zijn 58.141 besluiten (54 procent van alle besluiten) genomen over aanvragen tot vergoeding van fysieke schade. Er zijn 49.465 besluiten (46 procent van alle besluiten) genomen over aanvragen tot vergoeding van waardedaling.

    Bij het bepalen van het gemiddelde weegt het cijfer voor fysieke schade daarom voor 54 procent mee en voor waardedaling 46 procent. Het doorlopende (over de hele periode), gewogen (afgezet tegen het aantal besluiten) gemiddelde voor de besluiten van het IMG komt daarmee op: 7,9, gebaseerd op in totaal ruim 14.500 respondenten.

  • Wie wordt wanneer om een mening gevraagd?

    Als het IMG een e-mailadres heeft van een aanvrager wordt altijd ergens in de procedure een enquête gestuurd. Uitzondering vormen de adressen waar woningcorporaties en vastgoedbeheerders als eigenaar staan geregistreerd.

    Bij de regeling voor fysieke schade kan er op verschillende momenten in de procedure een enquête volgen: na de schade-opname, na het adviesrapport en na het besluit. Al binnen enkele dagen na het besluit wordt het verzoek gestuurd.

    Wie gebruikmaakt van meerdere regelingen, krijgt ook meerdere enquêteverzoeken. Zowel na een besluit voor de regeling fysieke schade wordt om een mening gevraagd als ook na een besluit over een aanvraag over waardedaling. Het zijn immers verschillende regelingen met verschillende procedures.

  • Waarom heb ik geen enquête gekregen en kan het alsnog?

    Als het goed is, krijgt ieder adres een enquêteverzoek, mits er een e-mailadres bekend is. Nu kan het wel zijn dat er op een adres meerdere aanvragen worden gedaan. Om overlast te beperken, sturen we eenzelfde soort enquête nooit twee keer binnen drie maanden naar dezelfde persoon. Zo kan het dus voorkomen dat iemand niet gevraagd is om te reageren voor een bepaald besluit. Daarnaast kan er altijd iets misgaan zijn met de mail, waarbij een enquête bijvoorbeeld in de map ‘ongewenste mail/reclame’ belandde of geheel weg gefilterd werd door mailsystemen.

    Momenteel is niet voorzien dat een enquête alsnog verstuurd en ingevuld kan worden. We willen de meting liefst in zo vergelijkbaar mogelijk situaties laten plaatsvinden (bijvoorbeeld kort na een besluit). Als er alsnog veel andere mensen aangeven een enquête te willen invullen waar dat niet gelukt is, gaan we wel bekijken wat er mogelijk is.

  • Wat hebben aanvragers precies gezien?

    Maximaal 60 aanvragers hebben een overzicht gezien van schadedossiers. Schadezaken worden per 10 tegelijk getoond met het schadenummer, schadeadres, indieningsdatum van de schade, de schadezaak en de status van de schadezaak.

  • Konden de aanvragers de informatie van andere dossiers wijzigen?

    Nee, de informatie kon niet gewijzigd worden.

  • Konden de aanvragers door het dossier van een ander bladeren?

    Nee, er was een overzicht zichtbaar, geen inhoud van dossiers. Dossiers van anderen konden niet worden ingezien.

  • Hoe heeft dit kunnen gebeuren?

    Op dit moment is het nog niet duidelijk wat de oorzaak van de storing is, dat zijn we aan het onderzoeken. Het belangrijkste is dat de storing is verholpen en dat dossiers van andere aanvragers niet meer zichtbaar zijn.

  • Wat betekent dit voor mijn dossier?

    Alle dossiers zijn beveiligd en alleen toegankelijk met de juiste inloggegevens. Hierdoor is het niet mogelijk om dossiers van andere aanvragers in te zien. Uw dossier is dus alleen toegankelijk met uw eigen inloggegevens.