Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen

Procedure en werkwijze van 1 juli 2020 van het Instituut Mijnbouwschade Groningen tot de afhandeling van schade die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg.

Het Instituut Mijnbouwschade Groningen (hierna: het Instituut),

overweegt het volgende:

  • Het Instituut heeft tot taak om schade af te handelen die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg.
  • Het Instituut is bij de uitvoering van zijn taak onder meer gebonden aan de kaders van de wet van 5 februari 2020, houdende tijdelijke maatregelen inzake een publiekrechtelijke aanpak van de gevolgen van bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld en de gasopslag bij Norg (Tijdelijke wet Groningen), gepubliceerd in het Staatsblad 2020, nr. 85.
  • Hieruit volgt dat het Instituut zijn taak op onafhankelijke en rechtvaardige wijze dient uit te voeren. Hierbij dient het Instituut toepassing te geven aan het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht en het bestuurs(proces)recht.
  • Binnen deze kaders heeft het Instituut ruimte om invulling te geven aan zijn taak. Hiertoe dient het Instituut op grond van artikel 10 van de Tijdelijke wet Groningen zijn eigen procedure en werkwijze vast te stellen, waarbij het een ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt neemt. Daarnaast streeft het Instituut ernaar om zijn werkwijze zo voortvarend mogelijk en met oog voor de menselijke maat vorm te geven.

en stelt, gelet op artikel 10 van de Tijdelijke wet Groningen, de volgende procedure en werkwijze vast:

HOOFDSTUK 1: ALGEMEEN

Artikel 1.1 Aanvraag tot schadevergoeding

  1. Een aanvraag tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 2 van de Tijdelijke wet Groningen wordt langs elektronische weg ingediend bij het Instituut door middel van een daartoe vastgesteld digitaal formulier.
  2. Het Instituut kan begeleiding bieden bij het indienen van de aanvraag door middel van het digitale formulier of aan de aanvrager een andere wijze van indiening ter beschikking stellen.
  3. De aanvraag bevat ten minste:

 

  1. de naam en het adres van de aanvrager;
  2. de dagtekening;
  3. een beschrijving naar eigen inzicht van de aard en de omvang van de schade;
  4. een aanduiding van de oorzaak van de schade;
  5. het adres en overige kenmerken van het gebouw, tenzij de aanvraag geen verband houdt met schade aan een gebouw;
  6. indien mogelijk, de datum of een inschatting van de datum waarop de schade is ontstaan;
  7. de inschatting van aanvrager of sprake zou kunnen zijn van een acuut onveilige situatie;
  8. indien van toepassing de melding dat de schade bij een ander orgaan aanhangig is gemaakt.
  9. een verklaring dat de aanvrager zijn vordering tot vergoeding van schade op de exploitant van het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 6:177 BW, overdraagt op de Staat der Nederlanden, ter zake van de schade waarop de aanvraag betrekking heeft.

 

  1. De aanvrager verschaft voorts de overige gegevens en bescheiden die voor het nemen van de beslissing op zijn aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Artikel 1.2 Ontvangst van de aanvraag

  1. Het Instituut bevestigt de ontvangst van de aanvraag tot schadevergoeding binnen een week na de ontvangst daarvan. 
  2. Het Instituut stelt de aanvrager in kennis van de te volgen procedure en de termijn waarbinnen de aanvrager een besluit op zijn aanvraag kan verwachten.

Artikel 1.3 Aanvulling van de aanvraag

  1. Het Instituut verzoekt de aanvrager om aanvulling van gegevens en stukken indien niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 1.1, indien dit nodig is voor de beslissing op de aanvraag en de aanvrager over de gegevens en stukken redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
  2. Het Instituut stelt de aanvrager in de gelegenheid om de ontbrekende gegevens en stukken aan te leveren binnen een termijn van twee weken na verzending van de brief, waarin hem is verzocht de ontbrekende gegevens en stukken aan te leveren.
  3. Het Instituut kan beslissen om de aanvraag niet in behandeling te nemen indien de door de aanvrager verstrekte gegevens en stukken onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de aanvrager niet heeft voldaan aan het verzoek om de aanvraag aan te vullen.

 Artikel 1.4 Zaakbegeleider

  1. Het Instituut beschikt over zaakbegeleiders.
  2. De zaakbegeleiders zijn werkzaam voor het Instituut en treden op als procesbegeleider. De zaakbegeleider heeft tot taak om de aanvrager te begeleiden gedurende de behandeling van zijn aanvraag en een eventueel bezwaar. De zaakbegeleider vervult zijn rol onpartijdig.
  3. Het Instituut kan aan de aanvrager een zaakbegeleider toewijzen indien het daartoe in het belang van de aanvrager aanleiding ziet. De toewijzing of vervanging van een zaakbegeleider,  kan in elk stadium van de behandeling van de aanvraag of het bezwaar plaatsvinden.
  4. Indien de aanvraag betrekking heeft op fysieke schade aan een woning zal het Instituut in elk geval tijdens het plannen van een opname aan de aanvrager aanbieden om een zaakbegeleider toe te wijzen. In andere gevallen kan het Instituut een zaakbegeleider aanbieden indien de aanvrager aangeeft daar behoefte aan te hebben of indien het Instituut anderszins van oordeel is dat het belang van de desbetreffende aanvrager hiermee is gediend.

Artikel 1.5 Benoeming deskundigen

  1. Het Instituut kan één of meerdere deskundigen benoemen om hem advies te geven over de op de aanvraag te nemen beslissing.
  2. Het Instituut stelt de aanvrager in kennis van zijn voornemen of zijn beslissing tot benoeming van één of meerdere deskundigen.
  3. De aanvrager kan binnen twee weken na dagtekening van deze kennisgeving schriftelijk een zienswijze geven over de (voorgenomen) benoeming van de deskundige. Het Instituut kan deze termijn desgevraagd verlengen.
  4. Indien uit de zienswijze naar het oordeel van het Instituut blijkt dat de deskundige niet beschikt over de deskundigheid die benodigd is om het gevraagde advies uit te brengen, of dat de deskundige niet onafhankelijk of onpartijdig is, of althans dat de schijn daarvan is gewekt, wijst het Instituut een andere deskundige aan.

Artikel 1.6 Besluit zonder onderzoek door deskundige

Het Instituut beslist op de aanvraag, zonder dat onderzoek is verricht door een deskundige als bedoeld in artikel 1.5 indien:

  1. naar zijn oordeel zodanig onderzoek niet nodig is om op de aanvraag te beslissen, of;
  2. het bestaan van schade als bedoeld in artikel 1 van de Tijdelijke wet Groningen niet aannemelijk is en de aanvrager desgevraagd ook onvoldoende heeft gesteld om dit bestaan alsnog aannemelijk te maken.

Artikel 1.7 Besluit tot schadevergoeding

  1. Het Instituut vergoedt de schade door middel van het toekennen van een geldbedrag.
  2. Het Instituut kan aan de toekenning van een schadevergoeding in geld voorwaarden verbinden, indien en voor zover het voldoen aan deze voorwaarden noodzakelijk is voor het bestaan van de aanspraak op schadevergoeding. 
  3. Het Instituut kan, in afwijking van het eerste lid, ertoe besluiten om de schade in natura te vergoeden. Het Instituut kan alleen van deze mogelijkheid gebruik maken indien de aanvrager het Instituut daarom heeft verzocht of daarmee heeft ingestemd.
  4. Het Instituut kan op ieder moment gedurende de behandeling van de aanvraag afzien van zijn voornemen om de schade in natura te vergoeden.
  5. Indien het Instituut ertoe beslist om de schade in natura te vergoeden, verbindt het aan zijn besluit de voorwaarde dat tussen de aanvrager en de Staat der Nederlanden een uitvoeringsovereenkomst tot stand komt. Het Instituut kan hiertoe een model aan het besluit hechten.

HOOFDSTUK 2: FYSIEKE SCHADE AAN EEN GEBOUW OF WERK

Artikel 2.1 Fysieke schade aan een gebouw of werk

Het bepaalde in dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op aanvragen tot schadevergoeding in verband met fysieke schade aan een gebouw of werk, en de materiële schade die een gevolg van de fysieke schade is.

Artikel 2.2 Advisering deskundigen

  1. Indien het Instituut een deskundige benoemt ter advisering over een aanvraag tot vergoeding van fysieke schade aan een gebouw of werk, neemt de deskundige de schade op en rapporteert hij over de aard van de schade in het licht van de door het Instituut te maken beoordeling. Bij zijn advisering neemt de deskundige de regels van het civielrechtelijke aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht in acht.
  2. Tenzij het Instituut de deskundige een bijzondere adviesopdracht geeft, stelt de deskundige in dit kader in ieder geval een onderzoek in naar:

 

  1. de aard en omvang van de door de aanvrager gestelde schade;
  2. de vraag of de schade als bedoeld onder a, met inachtneming van het bewijsvermoeden uit artikel 6:177a BW, kan worden beschouwd als een gevolg van beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg;
  3. de vraag naar de wijze waarop en het bedrag waarmee de schade, die als een gevolg van de oorzaak bedoeld onder b kan worden beschouwd, moet worden vergoed;
  4. de vraag of er overigens redenen zijn om de schade niet, of slechts ten dele, te vergoeden.

 

  1. Het Instituut kan aan de deskundige vragen om een globale nulmeting uit te voeren.
  2. De deskundige brengt zijn advies uit aan het Instituut binnen een door het Instituut gestelde termijn. Indien de deskundige binnen de gestelde termijn geen advies kan uitbrengen, deelt de deskundige dit, onder opgaaf van redenen, aan het Instituut mee voor het einde van de termijn en kan het Instituut de termijn met ten hoogste zes maanden verlengen. Het Instituut stelt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis.
  3. Indien het voor het uitbrengen van een advies noodzakelijk is dat meerdere deskundigen worden benoemd, kan de deskundige of kunnen de deskundigen het Instituut daarom verzoeken. Artikel 1.5 is van overeenkomstige toepassing.
  4. Indien de aanvraag zich naar het oordeel van het Instituut daarvoor leent, kan het Instituut ervoor kiezen om de schade ten behoeve van de advisering door de deskundige op te laten nemen door een opnemer.

Artikel 2.3 Aannemersvariant

  1. Het Instituut kan, indien de aanvraag zich daarvoor leent, een aanvrager aanbieden om zijn aanvraag te behandelen door middel van de aannemersvariant.
  2. Als de aanvrager ervoor kiest om gebruik te maken van de aannemersvariant, dan neemt in afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, een door het Instituut aangewezen aannemer de schade op en maakt de aannemer een beoordeling van de kosten van herstel van de schade. Voor het overige is het bepaalde in artikel 2.2 onverkort van toepassing.

Artikel 2.4 Zienswijze

  1. Na ontvangst van het advies als bedoeld in artikel 2.2, lid 4, stelt het Instituut de aanvrager in de gelegenheid om binnen een termijn van twee weken, mondeling of schriftelijk, een zienswijze te geven op het advies van de deskundige.
  2. Het Instituut kan de termijn op verzoek van de aanvrager of ambtshalve verlengen.
  3. De termijn wordt desgevraagd verlengd met een periode van vier weken, tenzij de aanvrager op goede gronden om een afwijkende termijn heeft verzocht.

Artikel 2.5 Nadere advisering

  1. Indien dit noodzakelijk is om op de aanvraag te kunnen besluiten, kan het Instituut vragen om:

 

  1. een nader advies van de deskundige, of;
  2. een tweede advies van één of meerdere andere deskundigen.

 

  1. Van het verzoek om een nader advies of een tweede advies wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.
  2. Artikel 2.4 is van overeenkomstige toepassing op het nadere advies als bedoeld in lid 1 onder a, indien daartoe naar het oordeel van het Instituut uit oogpunt van zorgvuldigheid aanleiding bestaat. Artikel 2.4 is in elk geval van toepassing op een tweede advies als bedoeld in lid 1, onder b.

Artikel 2.6 Bijkomende kosten

  1. Het Instituut kan aan de aanvrager aan wie een schadevergoeding is toegekend voor fysieke schade aan een gebouw of werk, indien aan de orde, een vergoeding toekennen voor de bijkomende kosten die zijn veroorzaakt door de fysieke schade.
  2. Het Instituut maakt voor het volgende nadeel gebruik van een forfaitaire vergoeding:

 

  1. thuis blijven tijdens de schadeopname            € 95 per dagdeel
  2. thuis blijven tijdens het schadeherstel             € 95 per dagdeel
  3. schoonmaakkosten                                         € 150 per schademelding
  4. reiskosten                                                       € 0,26 per kilometer

 

  1. Het Instituut kent voor het volgende nadeel een vergoeding toe, afhankelijk van de werkelijke kosten zoals door de schademelder gemaakt:

 

  1. inboedel- en tuinschade
  2. verhuiskosten
  3. opslagkosten
  4. overnachtingskosten
  5. advieskosten, maximaal € 95 per uur excl. BTW
  6. juridische begeleidingskosten, maximaal € 175 per uur excl. BTW
  7. andere begeleidingskosten, maximaal € 95 per uur excl BTW

  1. De onder sub e, f en g bedoelde kosten worden voor maximaal 20 uren vergoed, mits is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets. Het Instituut kan in uitzonderlijke omstandigheden een hogere vergoeding toekennen.
  2. Indien de aanvrager een woningcorporatie is en bij convenant nadere afspraken zijn gemaakt over de vergoeding van bijkomende kosten, dan gelden, in afwijking van de voorgaande leden, de in het convenant gemaakte afspraken.

Artikel 2.7 Overlastvergoeding

  1. Het Instituut kan aan de aanvrager aan wie een schadevergoeding is toegekend voor fysieke schade aan een gebouw of werk een overlastvergoeding toekennen.
  2. De overlastvergoeding strekt tot vergoeding van de immateriële schade die een gevolg is van de betreffende fysieke schade, alsook van de procedure tot afhandeling van deze schade. 
  3. De overlastvergoeding wordt vastgesteld op een bedrag van € 250 indien de vergoeding voor de fysieke schade een bedrag tot € 10.000 beloopt en op € 500 indien de fysieke schade genoemd bedrag te boven gaat. De overlastvergoeding wordt verhoogd met een bedrag van € 250 indien, buiten de schuld van de aanvrager, na meer dan één jaar sinds de dag waarop de aanvraag is ingediend daarop wordt beslist of met € 500 indien dit meer dan twee jaar in beslag heeft genomen. 
  4. Het Instituut kan afzien van het voor een tweede keer of meerdere keren toekennen van een overlastvergoeding indien de schade van de aanvrager door zijn toedoen in twee of meer afzonderlijke procedures moet worden afgehandeld. 

HOOFDSTUK 3. SCHADE BESTAANDE UIT WAARDEDALING

Artikel 3.1 Waardedaling van woningen

  1. Het bepaalde in de artikelen 3.1 tot en met 3.5 is uitsluitend van toepassing op de behandeling van aanvragen tot vergoeding van schade die bestaat uit de waardedaling van een woning, welke waardedaling niet een gevolg is van fysieke schade aan de woning als bedoeld in hoofdstuk 2.
  2. Onder een woning wordt verstaan een onroerende zaak, met daarop een pand, die volgens de Landelijke Voorziening Basisregistraties Adressen en Gebouwen een woonfunctie heeft.
  3. Het Instituut zal verzoeken tot vergoeding van de waardedaling van een woning behandelen vanaf de hierna genoemde datum, afhankelijk van de gemeente waarin de woning is gelegen:

 

  1. Gemeenten Loppersum en Appingedam, vanaf 1 september 2020
  2. Gemeente Groningen en Het Hogeland, vanaf 1 november 2020
  3. Gemeenten Midden-Groningen, Delfzijl, Aa en Hunze, Oldambt en Westerkwartier, vanaf 1 januari 2021

Artikel 3.2 Methode tot begroting waardedaling

  1. Het Instituut begroot de omvang van de waardedaling van een woning met toepassing van de methode die is beschreven in het onderzoek van Atlas voor gemeenten (J. Poort e.a., ‘Zeven bewogen jaren’, Atlas voor gemeenten, oktober 2019).
  2. Bij de toepassing van de methode uit het eerste lid, volgt het Instituut de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen, met inachtneming van hetgeen overigens in dit hoofdstuk is bepaald.

Artikel 3.3 Peildatum

  1. Het Instituut hanteert voor het bepalen van de omvang van de waardedaling 1 januari 2019 als peildatum.
  2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, hanteert het Instituut voor het bepalen van de omvang van de waardedaling de datum van notariële levering van de eigendom van een woning indien die levering heeft plaatsgevonden na 16 augustus 2012 maar voor de peildatum.
  3. Het Instituut kan beslissen om een actuelere peildatum vast te stellen dan de datum die is genoemd in het eerste lid, mits voor die peildatum ook een geactualiseerde versie van de methode die is bedoeld in artikel 3.2 beschikbaar is gesteld aan het Instituut.
  4. Indien het Instituut beslist tot vaststelling van een nieuwe peildatum, dan publiceert hij die beslissing op zijn website.
  5. De nieuwe peildatum is van toepassing op alle aanvragen tot vergoeding van waardedaling waarvoor de aanvraag is ingediend op of na de dag waarop het Instituut de beslissing tot vaststelling van een actuelere peildatum heeft gepubliceerd op zijn website. Daarnaast is de nieuwe peildatum van toepassing op aanvragen die waren ingediend vóór die dag, maar waarop nog geen beslissing is genomen, mits de nieuwe peildatum tot een hoger bedrag aan waardedaling leidt. Indien een nieuwe peildatum is vastgesteld kan geen aanvraag meer worden ingediend voor de waardedaling die is ontstaan op de peildatum als genoemd in het eerste lid. 

Artikel 3.4 Omvang van de waardedaling

  1. De waardedaling wordt bepaald aan de hand van een vergelijking van de waarde van de woning op de peildatum met de waarde die de woning zou hebben gehad zonder het effect van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de peildatum.
  2. Het Instituut gaat voor de waarde van de woning met het effect van bodembeweging uit van de WOZ-waarde zoals die is vastgesteld voor de peildatum.
  3. Voor de waarde van de woning, waarbij het effect van bodembeweging is weggedacht, wordt uitgegaan van de WOZ-waarde als bedoeld in het tweede lid, maar vermeerderd met het percentage waardedaling volgens de formule, waarbij x geldt als het percentage waardedaling: WOZ * (1/(1-(x/100)))
  4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt afgeweken van de WOZ-waarde indien de aanvrager de betreffende woning voorafgaand heeft verkocht en overgedragen. In dat laatste geval wordt voor de waarde van de woning uitgegaan van de verkoopprijs van de woning. Indien de verkoopprijs niet kan worden vastgesteld aan de hand van de notariële akte, zal het Instituut (alsnog) uitgaan van de laatste WOZ-waarde voorafgaand aan de verkoop.
  5. Het Instituut hanteert voor het bepalen van het percentage van de waardedaling van een woning het percentage dat volgt uit de methode van Atlas voor gemeenten, waarbij wordt uitgegaan van het model met bevingen van 2,9 mm/s of meer, te vermeerderen met eenmaal de standaardfout in verband met eventuele individuele verschillen of onzekerheden.
  6. Het Instituut houdt bij het bepalen van de waardedaling van de woning die toekomt aan de aanvrager, rekening met de zakenrechtelijke positie van de aanvrager ten opzichte van de woning, waaronder de periode waarin de eigenaar die woning in eigendom had en de waardedaling die gedurende deze periode is opgetreden, het gedeelte van de eigendom dat aan de aanvrager toebehoort en of de aanvrager de eigendom van de woning heeft. 

Artikel 3.5 Finaal karakter vergoeding

  1. In de door het Instituut toegekende vergoeding voor de waardedaling van een woning zijn de goede en kwade kansen op toekomstige aardbevingen verdisconteerd. De vergoeding betreft daarom een volledige en eenmalige vergoeding voor de waardedaling van de woning en heeft een finaal karakter.
  2. Het Instituut zal de toegekende vergoeding niet herzien, indien later blijkt dat de waardedaling anders zou moeten worden begroot of indien blijkt dat de waardedaling is toe- of afgenomen.
  3. Het Instituut zal zijn besluit tot toekenning van een vergoeding voor waardedaling uitsluitend, desgevraagd en in weerwil van dit finale karakter, kunnen heroverwegen indien na inwerkingtreding van deze werkwijze bevingen optreden die van dien aard zijn dat die op 1 januari 2019 onvoorzienbaar geacht moesten worden én daaruit onvoorzienbare en substantiële prijseffecten voortvloeien.
  4. Het Instituut is van oordeel dat bevingen en de daaruit voortvloeiende prijseffecten als voorzienbaar moeten worden beschouwd, en dus geen aanleiding vormen om de toegekende vergoeding voor waardedaling te heroverwegen, indien deze bevingen een magnitude hebben van minder dan 4, tenzij binnen een periode van 365 aaneengesloten kalenderdagen ten minste twee bevingen optreden met een magnitude van 3,6 of meer.

HOOFDSTUK 4: IMMATERIËLE SCHADE

Artikel 4.1 Immateriële schade

  1. Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op immateriële schade voor vergoeding waarvan artikel 6:106 BW een grondslag biedt.
  2. Het Instituut zal voor de behandeling van aanvragen tot vergoeding van immateriële schade een werkwijze vaststellen.
  3. Een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade kan bij het Instituut worden ingediend zodra het Instituut de werkwijze voor de behandeling van deze aanvragen heeft vastgesteld. Op een aanvraag die voor dat moment is ingediend zal worden besloten nadat deze werkwijze is vastgesteld.

HOOFDSTUK 5. BEZWAAR

Artikel 5.1 Ontvangst

  1. Het Instituut bevestigt de ontvangst van het bezwaarschrift schriftelijk aan de aanvrager.
  2. Als bij de indiening van het bezwaar niet is voldaan aan artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht of enig ander wettelijk vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om dit verzuim binnen twee weken te herstellen.
  3. Indien het bezwaarschrift is ingediend na ommekomst van de termijn uit artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht, stelt het Instituut de aanvrager in de gelegenheid om zijn zienswijze te geven op de redenen voor dit verzuim.

Artikel 5.2 Bezwaaradviescommissie

  1. Het Instituut stelt een onafhankelijke bezwaaradviescommissie in.
  2. De bezwaaradviescommissie bestaat uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter.
  3. De voorzitter en de leden van de bezwaaradviescommissie worden benoemd, geschorst en ontslagen door het Instituut op voordracht van de voorzitter van het Instituut. Benoeming van een lid van de bezwaaradviescommissie geschiedt, tenzij anders is bepaald, voor een periode van twee jaar. De voorzitter van het Instituut beslist omtrent de bezoldiging van de leden van de bezwaaradviescommissie.
  4. Het Instituut kan besluiten om meerdere kamers in de bezwaaradviescommissie in te stellen voor verschillende onderdelen van de taak van het Instituut. De voorzitter van de bezwaaradviescommissie is ook voorzitter van de kamers. Leden van de bezwaaradviescommissie worden benoemd in een of meerdere kamers.
  5. De bezwaaradviescommissie stelt een reglement vast. Dit reglement wordt gepubliceerd op de website van het Instituut.
  6. Het Instituut stelt secretarissen ter beschikking aan de bezwaaradviescommissie.

Artikel 5.3 Behandeling bezwaar

  1. Het Instituut kan het bezwaar ter advisering voorleggen aan de bezwaaradviescommissie.
  2. Indien het Instituut het bezwaar niet voorlegt aan de bezwaaradviescommissie, hoort hij de aanvrager overeenkomstig het bepaalde in Afdeling 7.2 Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 5.4 Inschakeling deskundige in bezwaar

  1. Het Instituut en de bezwaaradviescommissie kunnen in het kader van de behandeling van het bezwaar één of meerdere deskundigen inschakelen. Artikel 1.5 is van overeenkomstige toepassing.
  2. Het Instituut stelt deskundigen ter beschikking aan de bezwaaradviescommissie.

 

HOOFDSTUK 6. SLOT

Artikel 6.1 Slotbepaling

  1. Deze werkwijze treedt, met uitzondering van hoofdstuk 3, in werking per 1 juli 2020 en is van rechtswege van toepassing op aanvragen en bezwaren die het Instituut op grond van artikel 21 van de Tijdelijke wet Groningen in behandeling neemt en waarop ten tijde van inwerkingtreding van deze werkwijze nog geen besluit was genomen. Hoofdstuk 3 treedt in werking per 1 september 2020.
  2. Het Instituut kan deze werkwijze aanvullen of wijzigen.
  3. Deze werkwijze en eventuele aanvullingen of wijzigingen, worden gepubliceerd op de website van het Instituut.

Toelichting

Op 1 juli 2020 is de Tijdelijke wet Groningen in werking getreden, waarmee het Instituut Mijnbouwschade Groningen is opgericht als onafhankelijk zelfstandig bestuursorgaan. Het Instituut heeft tot taak om schade af te handelen die is veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van de exploitatie van een mijnbouwwerk voor de exploitatie van het Groningenveld of de gasopslag Norg. De Tijdelijke wet Groningen laat het Instituut ruimte om invulling te geven aan deze taak, in welk kader het Instituut op basis van artikel 10 van voornoemde wet zijn eigen procedure en werkwijze kan vaststellen. Het Instituut maakt door middel van dit reglement van deze mogelijkheid gebruik.

Het Instituut kiest ervoor om bij de invulling van zijn procedure en werkwijze in belangrijke mate voort te bouwen op het schadeprotocol dat op basis van het Besluit mijnbouwschade Groningen gold voor zijn voorganger, de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG). Tegelijkertijd kent de Tijdelijke wet Groningen aan het Instituut een ruimere taak toe dan de TCMG had. In het bijzonder is het Instituut ook bevoegd tot de afhandeling van immateriële schade en materiële schade die niet is veroorzaakt door fysieke schade, waaronder de waardedaling van woningen. In de onderhavige procedure en werkwijze is daarom gekozen voor een gelaagde structuur, met in hoofdstuk 1 bepalingen die in algemene zin gelden voor de taakuitoefening door het Instituut, in de hoofdstukken 2 tot en met 4 bepalingen met betrekking tot specifieke schadesoorten en in hoofdstuk 5 en 6 enige algemene bepalingen, ook met betrekking tot bezwaar.

Hierna zal per hoofdstuk een toelichting worden gegeven op de procedure en werkwijze van het Instituut. Dit zal steeds eerst in algemene zin gebeuren en daarna per hoofdstuk artikelsgewijs.

HOOFDSTUK 1:ALGEMEEN

Het eerste hoofdstuk van de procedure en werkwijze van het Instituut bevat algemene bepalingen, ongeacht de aard of omvang van de schade waarvoor een vergoeding wordt aangevraagd. Daarbij verdient opmerking dat, zoals hiervoor ook is opgemerkt, het Instituut ervoor kiest om zo veel mogelijk voort te bouwen op de werkwijze zoals die gold voor en was ontwikkeld door de TCMG. Dit komt met name tot uitdrukking in enige bepalingen in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2, dat betrekking heeft op fysieke schade aan gebouwen en werken.

Alvorens meer specifiek op deze bepalingen in te gaan, wordt opgemerkt dat de procedure en de werkwijze van het Instituut gebaseerd zijn op een aantal pijlers van de taakuitoefening door het Instituut.

In de eerste plaats is dat de opdracht aan het Instituut om zijn taak op een onafhankelijke en rechtvaardige wijze uit te oefenen. Dit betekent dat het Instituut tot taak heeft om iedere aanvrager de schadevergoeding te geven waar hij of zij recht op heeft. Het Instituut heeft zelf geen (financieel) belang bij de omvang van de toe te kennen schadevergoeding en zal zich ook niet laten leiden door degenen die daar wel belang bij hebben. Het Instituut heeft in zoverre een semi-rechtelijke taak.

In de tweede plaats is ruimhartigheid het uitgangspunt voor de procedure en werkwijze van het Instituut. Het Instituut laat deze ruimhartigheid in het bijzonder op twee plaatsen terugkomen. Allereerst in de vorm van procedurele ruimhartigheid. Dit betekent dat het Instituut in belangrijke mate zal zorgdragen voor de procedurele begeleiding van de aanvrager, onder meer door zaakbegeleiders, maar ook door de inschakeling van onafhankelijke deskundigen die tot taak hebben om te adviseren over de omvang van de schade. Hiermee wordt de aanvrager in belangrijke mate ontlast. Dit geldt in het bijzonder voor niet-professionele aanvragers. Daarnaast ziet het Instituut aanleiding om de ruimhartigheid tot uitdrukking te brengen in de omvang van de toegekende schadevergoedingen. Deze vergoedingen dienen – kort gezegd – dusdanig te zijn dat de aanvrager de door hem geleden schade hiermee goed moet kunnen herstellen. Het Instituut voorziet er hiermee in dat de aanvrager op een zo eenvoudig mogelijke manier een ruimhartige vergoeding kan ontvangen. Het Instituut hecht eraan om op te merken dat, gegeven de (beperkingen aan de) wettelijke taak van het Instituut, het uitgangspunt van ruimhartigheid niet ertoe kan strekken om een schadevergoeding toe te kennen waarop geen aanspraak bestaat, bijvoorbeeld omdat geen sprake is van causaal verband of omdat die vergoeding zou leiden tot verrijking. Randvoorwaarde is immers dat het Instituut de schadevergoeding vaststelt in overeenstemming met het burgerlijke aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht.

In de derde en vierde plaats geldt dat het Instituut zijn taken op een voortvarende wijze en met oog voor de menselijke maat uitvoert. Dit betekent dat het Instituut ernaar streeft om de doorlooptijden te minimaliseren, voor zover dat mogelijk is binnen de randvoorwaarden van een zorgvuldige taakuitoefening, met als doelstelling dat een reguliere aanvraag binnen zes maanden kan worden afgehandeld. Daarnaast dient het Instituut die taakuitoefening met menselijke maat vorm te geven. Dit betekent dat waar mogelijk de individuele situatie van de aanvrager in ogenschouw wordt genomen en de aanvrager persoonlijk en met aandacht voor de mens wordt benaderd. De inzet van de zaakbegeleider vormt hierin een belangrijk element.

Artikel 1.1.Aanvraag om schadevergoeding

Het artikel gaat ervan uit dat het in behandeling nemen van de aanvraag met zo min mogelijk formele voorschriften wordt omkleed. Indien de aanvrager hulp nodig heeft bij het indienen van zijn aanvraag, bijvoorbeeld omdat hij daar niet digitaal toe in staat is, kan het Instituut de aanvrager daarbij behulpzaam zijn, bijvoorbeeld door de inschakeling van een zaakbegeleider. 

Artikel 1 lid 3 betreft de gegevens die nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag. Het uitgangspunt is dat een aanvraag bij het Instituut via DigiD wordt ingediend. Daarvan uitgaande worden ook zo veel mogelijk van de benodigde gegevens al verstrekt door het Instituut. De aanvrager dient deze aanvraag alleen verder aan te vullen, waaronder in het bijzonder een beschrijving van de aard en de omvang van de schade waarvoor de aanvrager een vergoeding wenst te ontvangen. Hoe gedetailleerd deze beschrijving dient te zijn, is afhankelijk van de aard en omvang van de schade. Zo kan bij fysieke schade aan woningen met een zeer summiere onderbouwing worden volstaan, terwijl bij bedrijfsschade een verdergaande onderbouwing kan worden verlangd.

Wanneer er gegevens ontbreken die wel noodzakelijk zijn voor de beslissing op de aanvraag, wordt aan de aanvrager de gelegenheid geboden om de aanvraag binnen een door het Instituut gestelde (redelijke) termijn aan te vullen (vgl. art. 4:2 jo art. 4:5 Awb). Het moet gaan om gegevens en stukken waarover de aanvrager redelijkerwijs kan beschikken.

Opmerking verdient dat met de inwerkingtreding van artikel 11, lid 2, onder h, Tijdelijke wet Groningen van een aanvrager ook wordt verlangd dat hij zijn aanspraak op schadevergoeding op de exploitant van het mijnbouwwerk, overdraagt aan de Staat der Nederlanden. Indien een aanvrager niet aan deze verplichting voldoet, is het Instituut niet bevoegd om de aanvraag in behandeling te nemen en zal die dus worden afgewezen. De overdracht van deze vordering vormt onderdeel van het aanvraagformulier en zal alleen betrekking hebben op de schadesoort waarvoor de aanvrager een vergoeding wenst te ontvangen. Hierbij zal onderscheid gemaakt worden tussen fysieke schade en materiële gevolgschade, waardedaling en immateriële schade. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat gelet op het bepaalde in artikel 21 lid 2 van de Tijdelijke wet Groningen deze eis niet gesteld wordt aan aanvragen die reeds waren ingediend bij de TCMG voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet Groningen. Gelet op die bepaling is het Instituut bevoegd die aanvragen te behandelen, ook al is de vordering ter zake van de schade waar die aanvragen betrekking op hebben, niet overgedragen.

Artikel 1.2.Ontvangst van de aanvraag

Het Instituut bevestigt de ontvangst van de aanvraag. Deze ontvangstbevestiging wordt, afhankelijk van de communicatiekeuze van de aanvrager, digitaal of schriftelijk aan de aanvrager verzonden.

Bij de ontvangst van de aanvraag stelt het Instituut de aanvrager ook in kennis van de procedure die op grond van deze procedure en werkwijze geldt voor de behandeling van de aanvraag. Daarbij vermeldt het Instituut ook binnen welke termijn de aanvrager een besluit op zijn aanvraag tegemoet kan zien. Er is in deze werkwijze voor gekozen om niet te werken met één algemene termijn, nu de verschillende aanvragen betrekking kunnen hebben op schade die onvergelijkbaar is qua aard en omvang en dus ook zullen leiden tot verschillende doorlooptijden. Het Instituut zal daarom in de ontvangstbevestiging aangeven welke termijn zal worden aangehouden voor de desbetreffende aanvraag.

Artikel 1.3.Aanvulling van de aanvraag

Indien een aanvrager niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 1.1, stelt het Instituut de aanvrager in de gelegenheid om de benodigde gegevens alsnog te verstrekken.

Het Instituut zal de aanvrager hiertoe een redelijke termijn stellen, indachtig het bepaalde in artikel 4:5 Awb. Hierbij is uitgangspunt dat aan de aanvrager op ruimhartige en coulante wijze de gelegenheid wordt geboden om, desgewenst met behulp van een zaakbegeleider, de aanvraag in te vullen en zo nodig de ontbrekende gegevens aan te vullen.

Artikel 1.4.Zaakbegeleider

Het Instituut kiest ervoor om zaakbegeleiders in te schakelen ter begeleiding van de aanvrager. Hiermee zet het Instituut de werkwijze van de TCMG op dit punt voort.

De zaakbegeleider is in dienst bij het Instituut en fungeert als een procesbegeleider voor de aanvrager (lid 2). Dit betekent dat de zaakbegeleider de aanvrager bijvoorbeeld informeert over gang van zaken tijdens de procedure tot behandeling van zijn aanvraag en welke opties de aanvrager in dat kader heeft. De zaakbegeleider vervult zijn taak onpartijdig. Dit betekent dat de zaakbegeleider niet tot taak heeft om zich een oordeel te vormen over de aanvraag of om het Instituut over de behandeling daarvan te adviseren, maar dat hij ook niet optreedt als een belangenbehartiger van de aanvrager.

Het Instituut zal niet bij alle aanvragers om schadevergoeding een zaakbegeleider toewijzen, maar wel indien het van oordeel is dat het belang van de aanvrager daarmee is gediend. Het hangt daarmee ook van de aard van de aanvraag af of de toewijzing van een zaakbegeleider is aangewezen. Dit zal bijvoorbeeld in beginsel niet gebeuren bij een aanvraag die strekt tot de vergoeding van waardedaling, omdat daarvoor een zeer eenvoudige procedure wordt gehanteerd. De inschakeling van een zaakbegeleider zal in elk geval wél worden aangeboden indien het gaat om fysieke schade aan een woning, nu het Instituut van oordeel is dat in die gevallen de inzet van een zaakbegeleider steeds van toegevoegde waarde is voor de aanvrager. Indien de aanvrager evenwel geen behoefte heeft aan een zaakbegeleider, kan het Instituut afzien van de benoeming. Indien het Instituut om enigerlei reden denkt dat de inschakeling van een zaakbegeleider in het belang van de aanvrager is, zal hij dit – in welk stadium van de procedure dan ook – steeds aanbieden.  

Artikel 1.5.Benoeming deskundigen

Het Instituut heeft de bevoegdheid om één of meerdere deskundigen te benoemen teneinde hem te adviseren over de beslissing die op de aanvraag om schadevergoeding moet worden genomen.

De benoeming van de deskundige geschiedt met betrokkenheid van de aanvrager. Hij is in de gelegenheid om eventuele bezwaren tegen de deskundige in te brengen, bijvoorbeeld omdat deze niet over voldoende deskundigheid zou beschikken of niet onpartijdig of onafhankelijk zou zijn. Uiteraard toetst het Instituut deze vereisten zelf ook vooraf. Uiteindelijk beslist het Instituut over de aanwijzing van de deskundige, waarbij het de bezwaren van de aanvrager in aanmerking neemt, en waarbij het onverkort toepassing geeft aan de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak op dit onderwerp.

Artikel 1.6.Besluit zonder benoeming deskundige

Het Instituut kan onder omstandigheden ook ervan afzien om een deskundige te benoemen. In die gevallen beslist het Instituut zonder deskundigenadvies.

Dit kan het geval zijn indien een dergelijk advies niet nodig is om op de aanvraag te beschikken. Dit doet zich in de eerste plaats voor bij waardedaling bij woningen en bij veel gevallen van immateriële schade (wanneer geen sprake is van psychisch letsel), omdat daarvoor geen deskundigenadvisering zal worden gevraagd in individuele gevallen. Het doet zich ook voor indien reeds uit de aanvraag blijkt dat het Instituut niet bevoegd is ter zake van de behandeling van de aanvraag.

Het Instituut kan er ook voor kiezen om zonder inschakeling van een deskundige tot besluitvorming over te gaan indien niet aannemelijk is dat sprake is van schade als bedoeld in artikel 1 van de Tijdelijke wet Groningen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien de aanvrager, terwijl dat wel van hem mocht worden verwacht en hij hiertoe uitdrukkelijk opnieuw in de gelegenheid is gesteld, onvoldoende heeft gesteld om het bestaan van schade aannemelijk te maken. Hierbij kan gedacht worden aan schade waarbij wel wordt gesteld dat die zou zijn ontstaan door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten, maar een dergelijk causaal verband dusdanig onaannemelijk is dat de inschakeling van een deskundige in die gevallen niet opportuun kan worden geacht, bijvoorbeeld omdat het bewijsvermoeden uit artikel 6:177a BW niet op die schade van toepassing is. Dit kan bijvoorbeeld zo zijn bij aanvragen om schadevergoeding met betrekking tot een gebouw dat is gelegen buiten het effectgebied. Ook kan worden gedacht aan gevallen waarin alle schade al is afgehandeld door het Instituut en er zich nadien geen feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die het aannemelijk maken dat er nieuwe schade is ontstaan.

Artikel 1.7.Schadevergoeding

Deze bepaling bevat enige algemene regels over het besluit tot toekenning van een schadevergoeding. Ingevolge de hoofdregel van het burgerlijk aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht vergoedt het Instituut die schade in beginsel in geld. Deze toekenning vindt in uitgangspunt steeds plaats zonder dat daaraan enige voorwaarden worden verbonden. Een aanvrager is immers vrij om zijn schadevergoeding aan te wenden op de wijze die hij gerade acht.

Het tweede lid van deze bepaling benoemt evenwel de mogelijkheid van het Instituut om in bepaalde situaties toch voorwaarden te verbinden aan de toegekende schadevergoeding. Van deze mogelijkheid kan alleen gebruik worden gemaakt door het Instituut indien de aanspraak op de schadevergoeding van de aanvrager ook daadwerkelijk afhankelijk is van het vervullen van die voorwaarde. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan bepaalde kostenvergoedingen, die alleen aan de orde kunnen zijn indien de kosten ook daadwerkelijk zijn gemaakt. In dat soort gevallen wordt aan de toekenning de voorwaarde verbonden dat die kosten zullen worden gemaakt op de manier die was beoogd. Kiest de aanvrager ervoor om niet aan die voorwaarde te voldoen, dan komt de toekenning dus ook niet aan hem toe en zal geen uitbetaling plaatsvinden.

Het Instituut kan, in plaats van een vergoeding in geld, ook ervoor kiezen om de schade van de aanvrager in natura te vergoeden. Deze bepaling is opgenomen in hoofdstuk 1, dat alleen algemene bepalingen bevat, maar hieraan kan in de praktijk alleen uitvoering worden gegeven indien het gaat om een vergoeding voor fysieke schade.

Het Instituut zal alleen tot een toekenning van een schadevergoeding in natura overgaan indien de aanvrager daarom heeft verzocht en indien het Instituut dit in de omstandigheden van het geval een passende vorm van schadevergoeding acht (vgl. artikel 6:103 BW). Daarbij is het Instituut ook beperkt door een gelimiteerde uitvoeringscapaciteit voor herstel in natura. Hierbij zal het Instituut dan ook keuzes moeten maken. Het Instituut streeft hierbij – kort gezegd – ernaar om de zwaarst getroffen gedupeerden het meest te ontlasten in het herstel van hun schade. Die betekent bijvoorbeeld dat eerder tot herstel in natura overgegaan zal worden in de kern van het gebied dan in de randen. Tegelijkertijd kan een schade wel te complex zijn, om onder regie van een ander dan de eigenaar te herstellen. Ook in die gevallen kan daarom van herstel in natura worden afgezien.

HOOFDSTUK 2:FYSIEKE SCHADE AAN GEBOUWEN OF WERKEN

In hoofdstuk 2 is de werkwijze opgenomen met betrekking tot schade die is ontstaan aan gebouwen of werken. Deze werkwijze vormt in feite een voortzetting van het schadeprotocol zoals dat gold voor de TCMG. Uitgangspunt voor deze werkwijze is dat het Instituut wordt geadviseerd door een door hem in te schakelen onafhankelijke deskundige. In deze werkwijze is daarom bepaald waarop het onderzoek van de deskundige zich in de regel moet richten en hoe zijn advies overigens tot stand moet komen. De werkwijze biedt daarnaast grondslag voor de zogenoemde aannemersvariant. In deze specifieke variant wordt de opname niet verricht door een onafhankelijke deskundige, maar door een aannemer. De werkwijze biedt daarnaast regels over het proces vanaf het moment dat de deskundige zijn advies heeft uitgebracht, waaronder de mogelijkheid van een aanvrager om een zienswijze te geven en de bevoegdheid van het Instituut om een nader of tweede advies te vragen.

De werkwijze bevat daarnaast een regeling voor de vergoeding van bijkomende kosten en het toekennen van een overlastvergoeding. Deze regeling incorporeert het Protocol Mijnbouwschade en de bijbehorende bijlage 2 van het Besluit mijnbouwschade Groningen, alsmede enkele interne richtlijnen, in de werkwijze van het Instituut. Het vormt grotendeels een continuering van de huidige werkwijze van de TCMG. Anders dan in het Besluit mijnbouwschade Groningen, wordt in de werkwijze van het Instituut met twee artikelen gewerkt, gewijd aan (i) de vergoeding van bijkomende kosten, en (ii) het toekennen van een overlastvergoeding. 

Artikel 2.1.Fysieke schade aan een gebouw of werk

Dit artikel bepaalt enkel het toepassingsbereik van dit hoofdstuk; te weten fysieke schade aan een gebouw of werk. De werkwijze bevat geen definitie van deze begrippen. Hiervoor zoekt het Instituut aansluiting bij het advies van het panel van deskundigen van 21 januari 2019, waarin deze begrippen zijn gedefinieerd.

Artikel 2.2.Advisering deskundigen

In artikel 2.2 wordt uitgebreid ingegaan op de inschakeling van een deskundige in het geval van een schade aan een gebouw of werk. Hierbij verdient opmerking dat de vraag naar de omstandigheden waaronder het Instituut al dan niet een deskundige inschakelt, en de mogelijkheid van een aanvrager om een zienswijze in te dienen, wordt beheerst door de algemene bepaling uit artikel 1.5.

In artikel 2.2 lid 2 wordt in het bijzonder aangegeven met welke adviesopdracht een deskundige wordt benoemd. Het Instituut kan ervoor kiezen om in bepaalde gevallen een afwijkende adviesopdracht te geven. In voorkomend geval zal het Instituut die adviesopdracht ook ter kennisgeving doen toekomen aan de aanvrager. Uitgangspunt voor de advisering door deskundigen in deze gevallen is dat de deskundige ook onderzoek doet naar de aard en de omvang van de schade. Hiermee wordt een aanvrager in belangrijke mate ontlast, omdat hij als gevolg hiervan de aard en omvang van zijn schade slechts beperkt hoeft te stellen. De deskundige zal dat van hem overnemen. De deskundige dient verder onder meer onderzoek te doen naar het bestaan van causaal verband, waarbij hij ook toepassing dient te geven aan het bewijsvermoeden uit artikel 6:177a BW. Voor wat betreft de vraag naar de omstandigheden waaronder het bewijsvermoeden van toepassing moet worden geacht, sluit het Instituut aan bij het advies van het panel van deskundigen van 21 januari 2019. Als het bewijsvermoeden van toepassing is, dan dient te deskundige ook te adviseren over het antwoord op de vraag of dit vermoeden in de omstandigheden van het geval ontzenuwd moet worden geacht. Voor dit laatste is bepalend of voldoende aannemelijk is dat de schade niet door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten is veroorzaakt. Omtrent dit laatste wordt van de deskundige, gelet op de eisen die aan de totstandkoming van zijn advies en een besluit van het Instituut mogen worden gesteld, een hoge mate van zekerheid verlangt.

In lid 3 is bepaald dat het Instituut ervoor kan kiezen om de deskundige te vragen een nulmeting uit te voeren, indien het gaat om schade aan een woning (die niet onderdeel is van een meeromvattend bezit, zoals woningen die aan beleggers toebehoren). De schade die wordt opgemerkt bij een nulmeting wordt ook beoordeeld door de deskundige, ongeacht of deze schade was gemeld door de aanvrager. Een aanvrager is uiteraard niet verplicht om een dergelijke nulmeting te laten uitvoeren. Indien de aanvraag betrekking heeft op een ander gebouw dan een woning, bijvoorbeeld een bedrijfsobject, dan zal het Instituut geen nulmeting laten uitvoeren. De ervaring heeft geleerd dat het uitvoeren van nulmetingen in dergelijke gevallen een te groot beslag legt op de uitvoeringscapaciteit van het Instituut en ook niet in een evenredige verhouding staat met de daarmee gemoeide kosten. Dit betekent dat de eigenaar van een bedrijfsobject zelf moet inventariseren welke schade hij vergoed wenst te hebben. Particulieren woningeigenaren worden daarin dus ontzien door middel van de nulmeting. Het Instituut kan er daarnaast, ook bij een woning, voor kiezen om af te zien van een nulmeting indien er al eerder een nulmeting heeft plaatsgevonden.

Het artikel bepaalt voorts, in lid 4, dat de deskundige zijn advies dient uit brengen binnen een door het Instituut te bepalen termijn. Deze termijn zal niet langer worden gesteld dan op zes maanden. Deze laatste termijn is slechts geoorloofd in complexe gevallen. Als het gaat om meer reguliere dossiers, dient de deskundige veel sneller advies uit te brengen; in de regel binnen een termijn van 3 tot 5 weken. Die termijn kan langer zijn indien het een omvangrijk dossier betreft.

Artikel 2.3.Aannemersvariant

Artikel 2.3 geeft een bijzondere regeling voor de zogenoemde aannemersvariant. Het gaat hierbij om een variatie op de reguliere werkwijze van het Instituut, waarin de schade niet wordt opgenomen door een onafhankelijke deskundige maar door een aannemer. Het grootste voordeel van deze variant is dat de aanvrager met de opname door de aannemer zijn schade na het besluit door het Instituut eenvoudiger kan laten herstellen.

Het Instituut zal de aannemersvariant alleen aanbieden in gevallen die zich hiervoor lenen. Hierbij moet in de regel worden gedacht aan de meer eenvoudige gevallen; waarin het niet strikt noodzakelijk is dat de deskundige de schade ter plaatse opneemt.

Artikel 2.4.Zienswijze

Cruciaal onderdeel van de werkwijze van het Instituut is de mogelijkheid van een aanvrager om na ontvangst van het advies van de deskundige een zienswijze te geven. Deze zienswijze kan zowel instemmend als kritisch van aard zijn. De aanvrager kan deze zienswijze geven door middel van een digitaal formulier, schriftelijk of anderszins.

Als uitgangspunt geldt een termijn van twee weken voor het geven van een zienswijze. Deze termijn is relatief kort, omdat de ervaring heeft geleerd dat in het overgrote deel van de gevallen géén of een instemmende zienswijze wordt gegeven. Door de termijn relatief kort te houden, kan het Instituut vervolgens zo snel mogelijk tot besluitvorming overgaan, hetgeen in het belang van de aanvrager is. Indien een aanvrager binnen de termijn van twee weken geen zienswijze kan geven, kan hij hiervoor uitstel vragen. Dit uitstel wordt desgevraagd gegeven met een periode van ten minste vier weken; ongeacht of de aanvrager hiervoor redenen heeft aangedragen. Daarnaast is het mogelijk om een langere periode uitstel te krijgen voor het geven van een zienswijze, indien de aanvrager daarvoor goede redenen heeft gegeven. Het Instituut gaat hier uiteraard ruimhartig en flexibel mee om.

Artikel 2.5.Nadere advisering

Het is mogelijk dat het Instituut niet in staat is om een besluit op de aanvraag te nemen, ondanks de ontvangst van het advies van de deskundige. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien de aanvrager nieuwe omstandigheden heeft aangereikt in zijn zienswijze, waarover de deskundige nog geen advies had gegeven. In gevallen waarin het Instituut geen besluit kan nemen op de aanvraag na ontvangst van het advies, kan het Instituut ervoor kiezen om een nader advies te vragen aan de deskundige of om een tweede advies te vragen aan een andere deskundige. Van deze laatste mogelijkheid zal gebruik gemaakt worden, indien het Instituut niet gelooft dat de deskundige in staat is om alsnog volledig en correct advies uit te brengen.

Als een nader advies wordt uitgebracht door de deskundige, dan hangt het van de situatie af of de aanvrager daarop opnieuw een zienswijze kan geven. Teneinde een herhaling van zetten te voorkomen, is dit bijvoorbeeld niet het geval indien de deskundige – ondanks de zienswijze – vasthoudt aan zijn eerdere advies of indien hij zijn advies in het voordeel van de aanvrager bijstelt. Een aanvrager wordt wel opnieuw in de gelegenheid gesteld om een zienswijze te geven indien het advies in negatieve zou worden bijgesteld.

Artikel 2.6.Bijkomende kosten

Dit artikel geeft een regeling voor zogenoemde bijkomende kosten, zijnde materiële gevolgschade veroorzaakt door de fysieke schade.

Een aanvraag tot vergoeding van bijkomende kosten kan worden toegekend indien het nadeel een gevolg is van fysieke schade aan een gebouw of werk. Het is niet mogelijk een aanvraag tot vergoeding van bijkomende kosten als gevolg van waardedaling of immateriële schade in te dienen.

In het eerste lid is aangegeven dat bepaalde kostenposten forfaitair worden vergoed. Dit zijn typen bijkomende kosten die moeilijk concreet te begroten zijn. De vergoeding voor het thuisblijven tijdens de opname wordt hierbij ambtshalve door het Instituut vergoed. De aanvrager kan voor de andere in dit lid genoemde kosten een vergoeding aanvragen bij het Instituut nadat hij die heeft moeten maken.

In het derde lid is een niet limitatief bedoelde opsomming gegeven van kosten die niet forfaitair worden vergoed. Voor deze kosten geldt dat zij alleen achteraf (dus als de kosten daadwerkelijk door de aanvrager zijn gemaakt) kunnen worden vergoed. Daarvoor wordt een factuur, of ander document waaruit blijkt dat de kosten zijn gemaakt, opgevraagd. Uiteraard kan ook een vergoeding worden gevraagd voor andere vormen van schade of kosten, zoals inkomensschade of zorgkosten. Dit behoeft evenwel niet afzonderlijk geregeld te worden in de werkwijze, omdat dit soort schade binnen het reguliere proces van het Instituut kan worden beoordeeld en afgehandeld.

De onder e tot en met g opgenomen kosten worden in principe vergoed op basis van de werkelijk gemaakte kosten, zij het dat hiervoor een maximum geldt. Dat maximum is gesteld op € 95 per uur (advies en begeleidingskosten), dan wel € 175 per uur (juridische begeleidingskosten) en 20 uren. Daarnaast wordt getoetst op welk moment in de procedure advies of begeleiding is gevraagd. Advies bij het indienen van de aanvraag worden niet vergoed. Datzelfde geldt voor begeleiding bij het indienen van de aanvraag. Indien het gaat om kosten voor advies of begeleiding ná het uitbrengen van het adviesrapport van de deskundige, dan vindt een “dubbele redelijkheidstoets” plaats:

a.was het vragen van advies of begeleiding redelijk, in die zin, dat de aanvrager mocht verwachten dat het advies of de begeleiding een relevante bijdrage zou leveren aan een gunstige beantwoording van een voor de beslissing op de aanvraag relevante vraag (een gunstige uitkomst)?
b.zijn de kosten (overeenkomstig de aangevraagde vergoeding) redelijk voor het werk dat door de expert is verricht?

In lid 5 wordt aangesloten bij de huidige afspraken over de vergoeding van bijkomende kosten in het geval de aanvrager een woningcorporatie is. Met een aantal woningcorporaties is hierover bij convenant afspraken gemaakt.

Artikel 2.7.Overlastvergoeding

De TCMG had in zijn algemeenheid geen bevoegdheid om immateriële schade te vergoeden. Wel was in het Besluit mijnbouwschade Groningen aan de TCMG de bijzondere taak opgelegd om een (eenmalige) overlastvergoeding toe te kennen in geval van schade gemeld na 31 maart 2017. De overlastvergoeding was bedoeld ter compensatie van de overlast die gepaard ging met de schadeafhandelingsprocedure van de TCMG, en betrof daarmee wel een vergoeding voor (ander nadeel dan vermogensschade, en dus) immateriële schade (zie ook Kamerstukken II 2018/19, 35 250, 3, p. 47).

Met de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet Groningen zal het IMG zijn taak moeten uitvoeren in overeenstemming met het Nederlandse aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht, dat voorschrijft dat immateriële slechts in een beperkt aantal in de wet (met name artikel 6:106 BW) opgesomde gevallen voor vergoeding in aanmerking komt. Doorgaans zal sprake moeten zijn van een ‘aantasting in de persoon’. Aan de vergoeding van immateriële schade wordt in hoofdstuk 4 van de werkwijze aandacht besteed.

De overlastvergoeding werd door de TCMG ook uitgekeerd aan bewoners ten aanzien van wie niet aangenomen kan worden dat zij in hun persoon zijn aangetast. In die gevallen betreft de overlastvergoeding een vorm van vergoeding van immateriële schade waarvoor het Nederlandse schadevergoedingsrecht geen grondslag biedt. Om deze reden wordt hiervoor een afzonderlijke grondslag opgenomen in de Tijdelijke wet Groningen.

Het Instituut kan een overlastvergoeding toekennen als vergoeding voor de immateriële schade die aanvrager lijdt als gevolg van fysieke schade aan een gebouw of werk. Het is niet mogelijk een vergoeding voor overlast als gevolg van waardedaling of immateriële schade (en de procedure tot afwikkeling daarvan) toe te kennen.

Lid 3 zet de huidige werkwijze van de TCMG voort. Daarbij wordt nu wel onderscheid gemaakt tussen situaties waarin de aanvrager langer dan een jaar, maar korter dan twee jaar op het besluit heeft moeten wachten, en situaties waarin de aanvrager langer dan twee jaar op het besluit heeft moeten wachten. In het eerste geval wordt een extra overlastvergoeding van € 250 toegekend, in het tweede geval is dat € 500. Dit leidt tot de volgende staffel:

 

Op deze manier wordt concreet ingevuld hoe de overlastvergoeding in verschillende omstandigheden wordt begroot en toegekend, op basis van objectieve criteria. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de ‘volle marge’ van de overlastvergoeding (tot € 1.000). Bij de TCMG is in een zeer klein aantal gevallen aanleiding geweest om een overlastvergoeding van € 1.000 toe te kennen. De hier voorgestelde werkwijze voorkomt discussies over de mate waarin een geval dusdanig schrijnend is dat het toekenning van een hoge overlastvergoeding rechtvaardigt. Daarbij is ook van belang dat dergelijke schrijnende gevallen, waarbij sprake is van een ‘aantasting in de persoon’, zullen komen te vallen onder hoofdstuk 4 van de werkwijze (immateriële schadevergoeding). 

In lid 4 wordt ingegaan op een uitzonderingssituatie. Het komt namelijk voor dat aanvragers meermaals een schademelding doen, omdat zij hun schade initieel niet volledig in beeld hadden gebracht. Dat is op zichzelf niet bezwaarlijk, maar is geen reden om deze aanvragers tweemaal een overlastvergoeding toe te kennen.

HOOFDSTUK 3:SCHADE BESTAANDE UIT WAARDEDALING

Hoofdstuk 3 heeft betrekking op de afhandeling van aanvragen tot vergoeding van de waardedaling van gebouwen die ontstaat door de exploitatie van een mijnbouwwerk voor het Groningenveld of de gasopslag Norg. Het betreft in het bijzonder de waardedaling van woningen omdat die zijn gelegen in het aardbevingsgebied, onder meer vanwege het stigma dat aan dit gebied is gaan kleven, alsmede de verwachting van toekomstige aardbevingen. Dit hoofdstuk heeft dus nadrukkelijk geen betrekking op de waardedaling van een woning die kan ontstaan door fysieke schade aan de woningen.

Het Instituut heeft zich gebogen over de vraag of, en zo ja onder welke voorwaarden, de waardedaling van woningen in het aardbevingsgebied voor vergoeding in aanmerking komt. Hierbij zijn in het bijzonder het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 januari 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:618) en de prejudiciële antwoorden van de Hoge Raad van 19 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1278) van belang.

In zijn arrest van 23 januari 2017 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat NAM als exploitant van het Groningenveld aansprakelijk is voor de waardedaling die is ontstaan aan de woningen in het aardbevingsgebied. Hierbij heeft het hof geoordeeld dat deze waardedaling ook voor vergoeding in aanmerking komt als de eigenaar de woning (nog) niet heeft verkocht. In deze gevallen is de waardedaling in zoverre dus nog niet concreet is geworden en is sprake van een vorm van abstracte schadebegroting. Het hof heeft overwogen dat om tot een dergelijke vorm van schadebegroting over te mogen gaan, vereist is dat dit redelijk én doelmatig is. Hiervoor heeft het hof als voorwaarden geformuleerd dat:

de schade een voldoende structureel karakter heeft,
begroting van de schade mogelijk is en niet op onoverkomelijke bezwaren stuit vanuit een oogpunt van doelmatigheid, en;
dat de gelaedeerden belang hebben bij abstracte schadebegroting.

Het hof was van oordeel dat aan deze eisen was voldaan. Daarbij heeft het hof ook in aanmerking genomen dat de waardedaling van de woningen modelmatig kon worden bepaald. Daardoor zou het begroten van de schade niet op onoverkomelijke bezwaren stuiten vanuit een oogpunt van doelmatigheid. De partijen in deze procedure zijn niet in cassatie opgekomen tegen dit arrest, zodat de inhoud daarvan tussen hen verbindend is.

Op 19 juli 2019 heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op diverse prejudiciële vragen van de Rechtbank Noord-Nederland met betrekking tot mijnbouwschade (ECLI:NL:HR:2019:1278). In het antwoord op één van deze vragen is de Hoge Raad ook ingegaan op de mogelijkheid tot vergoeding van waardedaling in het geval een woning niet is verkocht. De Hoge Raad heeft overwogen dat voor het vergoeden van de waardedaling van woningen buiten het geval van verkoop vereist is dat sprake is van een – min of meer – stabiele situatie. Dit betekent volgens de Hoge Raad dat sprake moet zijn van een geofysisch voldoende stabiele situatie, omdat alleen dan voldoende zeker is dat significante schommelingen in de waarde van de woning zullen uitblijven. De Hoge Raad is vervolgens tot de conclusie gekomen dat in het aardbevingsgebied niet sprake is van een voldoende stabiele (geofysische) situatie. Om deze reden is de Hoge Raad tot de conclusie gekomen dat de waardedaling niet buiten het geval van verkoop voor vergoeding in aanmerking komt.

Het Instituut ziet zich hiermee bij het bepalen van zijn werkwijze geconfronteerd met twee tot op zekere hoogte tegenstrijdige uitspraken. Het hof heeft geconcludeerd dat de waardedaling wél voor vergoeding in aanmerking komt, terwijl de Hoge Raad dezelfde vraag ontkennend lijkt te beantwoorden.

Het Instituut komt tot de conclusie dat deze vorm van schade wel nu voor vergoeding in aanmerking komt.

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak, als gezegd, van belang geacht dat – min of meer – sprake is van een stabiele situatie, waarbij van belang zou zijn of sprake is van een geofysisch stabiele situatie. Volgens de Hoge Raad is daarvan geen sprake, ter onderbouwing waarvan de Hoge Raad verwijst naar de aardbevingen met een kracht van meer dan M 2 die juni 2019 hebben plaatsgevonden.

De Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen (Staatscourant 24 september 2018, nr. 54279), bestaande uit de heer mr. A Hammerstein (vz.), prof. dr. J. Rouwendal en prof. dr. P.J. Boelhouwer, heeft geadviseerd over de vergoeding voor de waardedaling van de woning. De Adviescommissie waardedaling heeft in 2019 en 2020 in totaal een drietal adviezen uitgebracht. In zijn tweede advies is de Adviescommissie waardedaling ook uitgebreid ingegaan op het hiervoor genoemde antwoord van de Hoge Raad op de prejudiciële vraag. De Adviescommissie ziet geen reden om aan te nemen dat de situatie onvoldoende stabiel is. In dit kader wijst de Adviescommissie waardedaling erop dat het oordeel van de Hoge Raad, gelet op de aard van de prejudiciële procedure, niet berust op een volledig beeld van de feiten, terwijl die feiten nadien ook nog zijn gewijzigd. De Adviescommissie waardedaling noemt ook andere redenen, waarom de waardedaling nu wel kan worden vergoed; ook buiten het geval van verkoop. Het Instituut verwijst, kortheidshalve, naar dit advies.

Daarnaast wijst het Instituut op het onderzoek van Atlas voor gemeenten, voor wat betreft de ontwikkeling van de waardedaling door het verloop van de tijd:

“Waar in het vorige onderzoek Nog altijd in beweging duidelijk aanwijzingen bestonden voor een gestaag afnemend effect van ligging in het risicogebied en een licht oplopend effect van bevingen, blijkt dat beeld met de actuele gegevens niet meer te bestaan. Jaar op jaar lijken de effecten te schommelen, mogelijk als gevolg van de relatief zwaardere bevingen zoals die bij Zeerijp op 8 januari 2018, maar er blijkt onvoldoende empirische onderbouwing voor een indeling in tijdvakken of het signaleren van een tijdtrend in de gevonden coëfficiënten: noch voor het effect van ligging in het risicogebied, noch voor de bevingsvariabelen.”

Het Instituut leidt uit dit onderzoek af dat er weliswaar schommelingen zijn in de waardedaling, maar dat er onvoldoende onderbouwing is voor het oordeel dat daaraan een trend ten grondslag ligt. Daarnaast wijst het Instituut erop dat Atlas voor gemeenten de waardedaling in het gebied zowel voor de peildatum van 1 januari 2018 als de peildatum 1 januari 2019 in kaart heeft gebracht. Uit deze onderzoeken blijkt dat er enig verschil bestaat in de hoogte van de waardedaling tussen deze twee peildata, maar dit verschil is naar het oordeel van het Instituut onvoldoende groot om te zeggen dat ook de waardedaling van de woningen onvoldoende stabiel is om te begroten en voor vergoeding in aanmerking te komen. Daarbij acht het Instituut ook, en in het bijzonder, van belang dat tussen genoemde peildata de beving van Zeerijp van 8 januari 2018 is opgetreden. Zelfs een dergelijke, zeer sterke beving, heeft dus niet aantoonbaar geleid tot een groot verschil in waardedaling. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien waarom dat anders zou zijn bij de bevingen die in juni 2019 zijn opgetreden.

Dat naar het oordeel van de Hoge Raad geen sprake is van een geofysisch stabiele situatie, betekent dan ook niet dat geen sprake is van een voldoende stabiele situatie voor wat betreft de waardedaling van de woningen in het gebied. Dat laatste moet bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de schade voor vergoeding in aanmerking komt. Uit het onderzoek van Atlas voor gemeenten kan als gezegd evenwel niet afgeleid worden dat de waardedaling gedurende de tijd grote verschillen heeft vertoond. Dát zou echter wel nodig zijn om te concluderen, zoals de Hoge Raad deed, dat de situatie onvoldoende stabiel is om de schade te begroten. Daarbij merkt het Instituut ook op dat niet goed te zeggen is wanneer in een aardbevingsgebied sprake is van een geofysisch stabiele situatie; een gebrek een stabiliteit is immers inherent aan aardbevingen. Het Instituut is van oordeel dat niet verwacht kan worden dat aardbevingen ooit met vaste regelmaat en magnitude zullen optreden, hetgeen betekent dat geofysisch pas daadwerkelijk stabiliteit bestaat zodra er geen aardbevingen meer optreden.

Het Instituut acht ook van belang dat uit de adviezen van het Staatstoezicht op de Mijnen blijkt dat als gevolg van de versnelde afbouw van de gaswinning in het Groningenveld, de seismische risico’s in het aardbevingsgebied afnemen. Dit betekent dat er aan de hand van de huidige wetenschappelijke inzichten ook geen reden is om aan te nemen dat in er in de toekomst meer seismische activiteit zal optreden dan voorheen, waardoor niet gezegd kan worden dat sprake is van een onvoldoende stabiele situatie, zoals door de Hoge Raad bedoeld. In dit verband acht het Instituut ook van belang dat de door het Staatstoezicht op de Mijnen genoemde kans op bevingen met een zeer hoge magnitude, bijvoorbeeld M 4 of meer, klein is te noemen. Indien onverhoopt toch een dergelijke beving zou optreden, heeft het Instituut evenwel de mogelijkheid om te onderzoeken of dit ook tot een significant hogere waardedaling heeft geleid en zo nodig zijn besluiten te herzien. Die kans staat als zodanig en om die reden dus ook niet in de weg aan de mogelijkheid om de schade nu te begroten.

Het Instituut is aldus van mening dat de waardedaling in het gebied voldoende stabiel en structureel is om, abstraherend van een daadwerkelijke verkoop, voor vergoeding in aanmerking te komen.

Het is vervolgens de vraag of de waardedaling ook – voldoende nauwkeurig – kan worden begroot en of die begroting niet op onoverkomelijke bezwaren stuit vanuit een oogpunt van doelmatigheid. Hierop is de Adviescommissie waardedaling uitgebreid ingegaan in zijn advies van 24 april 2019. In dit advies komt de Adviescommissie tot de conclusie dat van alle modellen die op dat moment beschikbaar waren, het model van Atlas voor gemeenten het meest geschikt is. Daarbij heeft de Adviescommissie in aanmerking genomen (p. 24):

“Samenvattend kan worden gesteld dat de methode die Bosker et al. (2018) gebruiken van alle behandelde studies de meeste aantrekkelijke aspecten vertoont: die (i) integreert het generieke (imago) effect en het meer specifieke (aan de sterkte van de lokale bevingen verbonden) effect en houdt daardoor rekening met aanzienlijke ruimtelijke variatie in de bevingsschade, (ii) gebruikt referentiegebieden buiten de provincie Groningen en heeft laten zien dat de resultaten bestand zijn tegen opname van indicatoren die uiteenlopende sociaaleconomische en demografische ontwikkelingen in risico- en referentiegebied beschrijven , (iii) maakt gebruikt van hedonische prijsanalyse waarmee internationaal en nationaal zeer veel ervaring mee is opgebouwd en een opzet van het onderzoek die gericht is op het meten van het causale effect van de bevingen op woningwaarde, (iv) is robuust gebleken in een veelheid van gevoeligheidsanalyses en (v) geeft uitkomsten die vergelijkbaar zijn met die van een op taxaties gebaseerde methode onder vermijding van de daarbij optredende ruis.”

De Adviescommissie is voorts tot de conclusie gekomen dat géén van de andere methodes die zijn onderzocht geschikt zijn om de waardedaling te begroten, en dat er ook geen aanleiding is om aan te nemen dat het door ontwikkelen van die methoden die alsnog bruikbaar zouden kunnen maken.

Atlas voor gemeenten heeft haar onderzoek na het uitbrengen van het advies van de Adviescommissie geactualiseerd, zodat de waardedaling kan worden bepaald per 1 januari 2019. De Adviescommissie heeft ook dit onderzoek onderzocht en heeft daarover op 14 november 2019 advies uitgebracht. Het Instituut neemt dit advies over en verwijst daar in dit kader – kortheidshalve – naar.

Na ontvangst van het advies van de Adviescommissie is nog een onderzoek beschikbaar gekomen van De Kam/Invisor. Het Instituut heeft om deze reden aan de Adviescommissie gevraagd om ook over de bruikbaarheid van dit model te adviseren. De Adviescommissie heeft dit in zijn derde advies gedaan. Kort gezegd komt de Adviescommissie tot de conclusie dat de methode van De Kam/Invisor niet bruikbaar is. In de eerste plaats leidt deze methode tot resultaten die niet plausibel zijn, nu op basis van deze methode de waarde van woningen in het aardbevingsgebied harder zou zijn gestegen dan het landelijke gemiddelde. Dit is onverenigbaar met het feit dat het gebied – ook zonder aardbevingen – al krimpgebied was. Daarnaast is de methode naar het oordeel van de Adviescommissie onvoldoende betrouwbaar. Het Instituut verwijst wat dit betreft kortheidshalve naar het nadere advies van de Adviescommissie. Het Instituut heeft naar aanleiding van dit nadere advies een nadere toelichting gevraagd en ontvangen van De Kam/Invisor. Dit heeft de fundamentele bezwaren tegen het gebruik van deze methode echter niet weggenomen. Het Instituut ziet dan ook geen aanleiding om aan de hand van de methode van De Kam/Invisor te twijfelen aan de bruikbaarheid van de methode van Atlas voor gemeenten, laat staat dat aangenomen zou kunnen worden dat de methode van De Kam/Invisor de waardedaling meer nauwkeurig zou kunnen vaststellen.

Het Instituut is dan ook van oordeel dat, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie, de waardedaling van de woningen in het aardbevingsgebied betrouwbaar kan worden vastgesteld met de methode van Atlas voor gemeenten. Om deze reden volgt het Instituut het advies van de Adviescommissie om deze methode te hanteren.

Zoals hiervoor is aangegeven, is het voorts de vraag of de begroting van de waardedaling niet op onoverkomelijke bezwaren stuit vanuit een oogpunt van doelmatigheid. Het Instituut is van oordeel dat deze voorwaarde niet aan de uitvoering in de weg staat, mits daarbij wordt vastgehouden aan de uitgangspunten zoals geformuleerd in de adviezen van de Adviescommissie van 24 april 2019 en 14 november 2019. Kort gezegd gaat het hierbij om:

het gebruik van 1 januari 2019 als peildatum voor het begroten van de waardedaling;
het finale karakter van de vergoeding voor waardedaling;
het toepassingsgebied;
de WOZ-waarde als grondslag voor de waarde;
het gebruik van de grondsnelheid van 2,9 mm/s voor het model, met toepassing van een onzekerheidsmarge.

Het Instituut zal deze aanbevelingen hierna, bij het artikelsgewijs commentaar, bespreken.

Artikel 3.1.Waardedaling van woningen

Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik voor de werkwijze voor waardedaling. Meer in het bijzonder zijn de artikelen 3.1 tot en met 3.5 van toepassing op de waardedaling van woningen in het aardbevingsgebied. Hierbij geldt dat het gaat om de waardedaling die géén verband houdt met eventuele fysieke schade aan de woning. Deze laatste vorm van waardedaling is namelijk een vorm van materiële gevolgschade die wordt vastgesteld als onderdeel van de werkwijze voor fysieke schade. Het Instituut gaat hierbij uit van de afbakening van het aardbevingsgebied zoals is geadviseerd door Atlas voor gemeenten en de Adviescommissie, inclusief de enclaves.

In lid 2 is bepaald dat ervan wordt uitgegaan dat sprake is van een woning, en deze werkwijze daarop dus van toepassing is, indien het gebouw een woonfunctie heeft blijkens de Landelijke Voorziening Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG). Deze registratie biedt een actuele en betrouwbare bron om te bepalen of sprake is van een woning, waarvoor aangenomen kan worden dat die in waarde is gedaald in de mate die blijkt uit de methode van Atlas voor gemeenten. Als een gebouw een dubbelfunctie heeft, waaronder een woonfunctie, kan alleen waardedaling worden vergoed indien voldoende duidelijk is dat de waarde van het gebouw in overwegende mate wordt bepaald door de woonfunctie daarvan. Daarnaast is vereist dat de waarde op doelmatige wijze is vast te stellen, los van het bijbehorende bedrijf.

In het derde lid van artikel 3.1 is bepaald dat het Instituut verzoeken tot vergoeding van waardedaling per gemeente zal gaan behandelen. Het Instituut kiest hiervoor om de beslistermijn per aanvraag beperkt te kunnen houden, ondanks het zeer grote aantal verzoeken tot vergoeding van waardedaling dat zal worden ingediend. Het Instituut zal hierbij drie groepen hanteren. De eerste groep ziet op woningen uit de gemeenten Loppersum en Appingedam en start per 1 september 2020. De tweede groep ziet op woningen uit de gemeenten Groningen en Het Hogeland en start op 1 november 2020. De overige gemeenten worden vanaf 1 januari 2021 behandeld. Het Instituut hanteert voor dergelijke aanvragen in beginsel een beslistermijn van 8 weken. Indien een aanvraag is ingediend voorafgaand aan genoemde data, zal die beslistermijn worden verlengd tot en met 8 weken ná de betreffende datum.

Artikel 3.2.Methode tot begroting waardedaling

In artikel 3.2 is de kern gegeven van de werkwijze voor het vergoeden van waardedaling bij woningen. Zoals ook is aangegeven in het algemene deel, wordt hierbij gebruik gemaakt van de methode voor Atlas voor gemeenten, zoals is beschreven in het onderzoek van Poort e.a. uit 2019. Voorts geeft het Instituut hierbij uitvoering aan de overige aanbevelingen uit het advies van de Adviescommissie waardedaling. In aanvulling hierop is in lid 2 aangegeven dat geen waardedaling wordt vergoed, omwille van doelmatigheid, indien voor het vaststellen van die individuele waardedaling buiten het geval van verkoop de inschakeling van één of meerdere deskundigen is vereist. Dit sluit aan bij de randvoorwaarden voor het vergoeden van waardedaling bij het geval van verkoop, die zijn gesteld door de Hoge Raad en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Artikel 3.3.Peildatum

In overeenstemming met het advies van de Adviescommissie, hanteert het Instituut voor het bepalen van de omvang van de waardedaling één vaste peildatum. Deze peildatum wordt gesteld op 1 januari 2019. Dit is ook de laatste datum waarvoor de waardedaling is vastgesteld in het onderzoek van Atlas voor gemeenten. Het gebruik van een vaste peildatum, gelegen in het verleden, is nodig omwille van de uitvoerbaarheid. Het is namelijk niet mogelijk om steeds actueel te bepalen hoeveel waardedaling is opgetreden, omdat daarvoor het onderzoek steeds geactualiseerd zou moeten worden. De ontwikkeling van de waardedaling in het aardbevingsgebied, zoals blijkt uit het onderzoek van Atlas voor gemeenten, geeft overigens ook geen aanleiding tot een dergelijke voortdurende actualisatie.

Het Instituut wijkt (lid 2) af van de peildatum indien de woning voorafgaand aan die datum daadwerkelijk is verkocht. In die gevallen wordt uitgegaan van de waardedaling zoals die op de verkoopdatum bestond. De waardedaling die nadien is opgetreden komt namelijk toe aan de nieuwe eigenaar.

In het derde lid is opgemerkt dat het Instituut de bevoegdheid heeft om een actuelere peildatum vast te gaan stellen. Het ligt niet in de bedoeling van het Instituut om dit op korte termijn te gaan doen. Tegelijkertijd zal hiertoe op een gegeven moment wel moeten worden overgegaan, omdat aangenomen moet worden dat de waardedaling van 1 januari 2019 op een gegeven moment niet meer voldoende bruikbaar is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die waardedaling significant is afgenomen, bijvoorbeeld omdat de seismische activiteit is verminderd door de afbouw van de gaswinning. Indien een nieuwe peildatum wordt vastgesteld, zal voor aanvragen die zijn ingediend na de datum waarop die beslissing is gepubliceerd deze nieuwe peildatum worden aangehouden. Voor aanvrager die voor dat moment zijn ingediend wordt, omwille van rechtszekerheid, uitgegaan van de vorige peildatum, tenzij de nieuwe peildatum tot hogere vergoedingen zou leiden.

Artikel 3.4.Omvang van de waardedaling

In dit artikel wordt uitgeschreven hoe de omvang van de waardedaling wordt bepaald. Het gaat hier in essentie om een vergelijking tussen wat de waarde van de woning op de peildatum daadwerkelijk was en wat de waarde zou zijn geweest indien er geen bodembeweging door mijnbouwactiviteiten zou hebben plaatsgevonden. Voor wat betreft de waarde op de peildatum wordt, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie, uitgegaan van de WOZ-waarde. Het Instituut acht dit de meest doelmatige en betrouwbare wijze om de waarde van de woningen vast te stellen. Het Instituut acht het ook niet acceptabel indien het voor de begroting van de waardedaling nodig zou zijn om per individuele woning de waarde van die woning te laten taxeren. Daarbij neemt het Instituut in aanmerking dat grote onzekerheden kleven aan de juistheid van een individuele taxatie, dat daarmee steevast noemenswaardige kosten zijn gemoeid en dat daarmee ook de doorlooptijd voor de afhandeling van de waardedaling te lang zou worden. Het Instituut is dan ook van oordeel dat de waardedaling van een woning buiten het geval van verkoop alleen voor vergoeding in aanmerking komt zo lang voor de vaststelling daarvan gebruik kan worden gemaakt van de methode van Atlas voor gemeenten en de WOZ-waarde. Indien de woning wel daadwerkelijk is verkocht, zoekt het Instituut geen aanknoping bij de WOZ-waarde maar bij de werkelijke transactieprijs, omdat die wel voldoende betrouwbaar kan worden geacht en eenvoudig kan worden vastgesteld.

Voor de waarde die de woning zou hebben gehad op de peildatum, als er geen bodembeweging door mijnbouwactiviteiten was geweest, wordt uitgegaan van de WOZ-waarde, te vermeerderen met het percentage waardedaling. Omdat de waardedaling al in de WOZ-waarde is verdisconteerd, moet die WOZ-waarde eerst worden gecorrigeerd met de in lid 6 opgenomen formule.

Voor het percentage van de waardedaling maakt het Instituut gebruik van de methode van Atlas voor gemeenten, waarbij wordt uitgegaan van het model met bevingen van 2,9 mm/s of meer. Dit model leidt gemiddeld genomen namelijk tot de hoogste uitkomsten. Daarbij wordt dit percentage vermeerderd met eenmaal de zogenoemde standaardfout. Deze correctie is ook geadviseerd door de Adviescommissie, omdat eventuele onzekerheden over het gebruik van de methode voor de waardedaling in een individueel geval, hiermee ten gunste van de aanvrager worden gecorrigeerd. Hiermee voorziet de methode in een model waarmee ook meer uitzonderlijke individuele gevallen niet tekort worden gedaan.

Artikel 3.5.Finaal karakter vergoeding

In artikel 3.5 wordt ingegaan op het finale karakter van de vergoeding voor waardedaling. In de begroting van de waardedaling ligt besloten dat de goede en kwade kansen op toekomstige aardbevingen daarin zijn verdisconteerd. Indien een aanvrager ervoor kiest om zijn vergoeding te gelde te maken buiten het geval van een daadwerkelijke verkoop, betekent dit dat hij die kansen ook voor zijn rekening neemt. Om deze reden heeft de vergoeding voor de waardedaling een finaal karakter. Dit betekent dat ook als in de toekomst blijkt dat de waardedaling zou zijn toegenomen, dit in beginsel niet afdoet aan de omvang van de vergoeding van de aanvrager. Indien een aanvrager dit niet wenselijk acht, kan hij ervoor kiezen om pas een vergoeding aan te vragen bij de daadwerkelijke verkoop van zijn woning. De benadering sluit ook aan bij het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2018:618, r.o. 8.81).

In lijn met het advies van de Adviescommissie is het Instituut van oordeel dat de vergoeding voor de waardedaling van woningen buiten het geval van verkoop dus alleen onder zeer uitzonderlijke omstandigheden zou moeten worden herzien. Het Instituut zal hiertoe alleen overgaan indien er bodembeweging optreedt die van dien aard is dat daaruit prijseffecten voorvloeien die op 1 januari 2019 als onvoorzienbaar moesten worden beschouwd. Teneinde hierover op voorhand zo veel mogelijk duidelijkheid te geven, merkt het Instituut op dat hiervan niet snel sprake zal zijn. In het verleden hebben zich immers al veelvuldig relatief zware bevingen voorgedaan, zodat de kans daarop ook in de huidige waardedaling is verdisconteerd. Het Instituut zal daarom alleen tot een nieuw onderzoek naar de waardedaling overgaan, indien er een beving optreedt met een magnitude van 4 of meer of indien er binnen één jaar tijd ten minste twee bevingen met een magnitude van 3,6 optreden. Naar het oordeel van het Instituut moeten deze situaties op 1 januari 2019 dusdanig onwaarschijnlijk worden geacht (hoewel niet geheel onvoorzienbaar) dat de aanvragers hiermee geen rekening behoefden te houden. In dat geval zal dus, naar een actuelere peildatum, worden gekeken welke waardedaling alsdan is opgetreden en of dat noopt tot een correctie van de eerder toegekende vergoeding.

HOOFDSTUK 4:IMMATERIËLE SCHADE

Hoofdstuk 4 is gereserveerd voor de werkwijze voor de behandeling voor aanvragen tot vergoeding van immateriële schade, niet zijnde de hiervoor besproken overlastvergoeding. Deze werkwijze is nog niet vastgesteld. Zodra dat wel het geval is, kunnen ook voor deze vorm van schade aanvragen worden ingediend.

HOOFDSTUK 5:BEZWAAR

In hoofdstuk 5 is een aantal algemene bepalingen opgenomen met betrekking tot het bezwaarproces. Diverse van deze bepalingen spreken voor zich en/of vloeien voort uit de Algemene wet bestuursrecht.

Opmerking verdient wel dat het Instituut er, in lijn met de werkwijze uit het Besluit mijnbouwschade Groningen van de TCMG, voor kiest om een onafhankelijke bezwaaradviescommissie in te stellen. Dit gebeurt in de onderhavige werkwijze (artikel 5.2). Het Instituut kan een ingediend bezwaar aan de bezwaaradviescommissie voorleggen, indien het geadviseerd wil worden over de beslissing die op het bezwaar moet worden genomen. Het Instituut heeft deze mogelijkheid in beginsel bij alle type bezwaren, ongeacht de schadevorm, maar het zal van de inhoud van het bezwaar afhangen wanneer van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt.

Artikel 5.1.Ontvangst

Dit artikel behoeft geen afzonderlijke toelichting.

Artikel 5.2.Bezwaaradviescommissie

Dit artikel bepaalt de inrichting van de bezwaaradviescommissie. Deze commissie is onafhankelijk en de leden daarvan worden, op voordracht van de voorzitter, in beginsel benoemd voor een periode van twee jaar. Het Instituut kan er ook voor kiezen om meerdere kamers vast te stellen binnen de adviescommissie, met als taak om te adviseren over specifieke onderdelen van de taak van het Instituut. Aanleiding voor deze mogelijkheid is de grote verscheidenheid in de taken van het IMG; bijvoorbeeld fysieke schade, waardedaling en immateriële schade. Deze onderwerpen kunnen bijzondere expertise vergen van de leden. Omwille van de eenheid is de voorzitter van de bezwaaradviescommissie wel de voorzitter van de onderscheidene kamers.

De bezwaaradviescommissie stelt zijn eigen reglement vast, dat op de website van het Instituut zal worden gepubliceerd. In dit reglement wordt vastgesteld hoe de procedure bij de bezwaaradviescommissie verloopt.

Het Instituut zal voorts voldoende secretarissen aan de bezwaaradviescommissie ter beschikking stellen, zodat hij zijn taak op een voortvarende wijze kan uitvoeren.

Artikel 5.3.Behandeling bezwaar

Dit artikel maakt duidelijk dat het Instituut, afhankelijk van de inhoud van het bezwaar, ervoor kan kiezen om het bezwaar volledig zelf te behandelen of kan voorleggen ter advisering aan de bezwaaradviescommissie.

Het Instituut heeft deze laatste mogelijkheid in alle gevallen, maar het ligt ook omwille van de voortvarendheid in de rede dat van die mogelijkheid niet altijd gebruik wordt gemaakt. Diverse eenvoudigere bezwaren kunnen immers ook rechtstreeks door het Instituut worden afgedaan. Daarnaast ligt het niet in de rede om een bezwaar aan de bezwaaradviescommissie voor te leggen indien geen advies nodig is om daarop te kunnen besluiten, bijvoorbeeld omdat over dit onderwerp al eerder is geadviseerd. Dit laatste kan ook gelden voor belangrijke onderwerpen uit de werkwijze voor waardedaling, aangezien daarover reeds uitgebreid en herhaaldelijk is geadviseerd door de Adviescommissie waardedaling.

Artikel 5.4.Inschakeling deskundige in bezwaar

In artikel 5.4 is bepaald dat zowel het Instituut als de bezwaaradviescommissie zich bij de behandeling van het bezwaar kan laten adviseren door één of meerdere deskundigen. Teneinde dit mogelijk te maken zal het Instituut voldoende deskundigen ter beschikking stellen aan de bezwaaradviescommissie. Op de benoeming van een dergelijke deskundige is dezelfde, met waarborgen omklede, bepaling van toepassing als geldt voor de benoeming van een deskundige door het Instituut.

HOOFDSTUK 6:SLOT
Artikel 6.1.Slotbepaling

Deze werkwijze treedt eerst per 1 juli 2020 in werking, tegelijkertijd met de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet Groningen. Deze werkwijze is direct van toepassing op alle nieuwe en op de in behandeling zijnde aanvragen. Hoofdstuk 3 van deze werkwijze treedt per 1 september 2020 in werking.

De werkwijze kan worden gewijzigd of aangevuld. In elk geval zal het Instituut op korte termijn deze werkwijze aanvullen met een specifieke werkwijze voor de behandeling van verzoeken tot vergoeding van immateriële schade.

Groningen, 1 juli 2020