Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 

Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen van 14 april 2022 tot de afhandeling van schade die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg (Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022).

Het Instituut Mijnbouwschade Groningen (hierna: het Instituut), overweegt het volgende:

  • Het Instituut heeft tot taak om schade af te handelen die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg.
  • Het Instituut is bij de uitvoering van zijn taak onder meer gebonden aan de kaders van de Tijdelijke wet Groningen.
  • Hieruit volgt dat het Instituut zijn taak op onafhankelijke en rechtvaardige wijze dient uit te voeren. Hierbij dient het Instituut toepassing te geven aan het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht en het bestuurs(proces)recht.
  • Binnen deze kaders heeft het Instituut ruimte om invulling te geven aan zijn taak. Hiertoe dient het Instituut op grond van artikel 10 van de Tijdelijke wet Groningen zijn eigen procedure en werkwijze vast te stellen, waarbij het een ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt neemt. Daarnaast streeft het Instituut ernaar om zijn werkwijze zo voortvarend mogelijk en met oog voor de menselijke maat vorm te geven.

en stelt, gelet op artikel 10 van de Tijdelijke wet Groningen, de volgende procedure en werkwijze vast: 

HOOFDSTUK 1:    ALGEMEEN

Artikel 1.1    Aanvraag tot schadevergoeding

  1. Een aanvraag tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 2 van de Tijdelijke wet Groningen wordt langs elektronische weg ingediend bij het Instituut door middel van een daartoe vastgesteld digitaal formulier. 
  2. Het Instituut kan begeleiding bieden bij het indienen van de aanvraag door middel van het digitale formulier of aan de aanvrager een andere wijze van indiening ter beschikking stellen.
  3. De aanvraag bevat ten minste:
    • de naam en het adres van de aanvrager;
    • de dagtekening;
    • een beschrijving naar eigen inzicht van de aard en de omvang van de schade;
    • een aanduiding van de oorzaak van de schade;
    • het adres en overige kenmerken van het gebouw, tenzij de aanvraag geen verband houdt met schade aan een gebouw; 
    • indien mogelijk, de datum of een inschatting van de datum waarop de schade is ontstaan;
    • de inschatting van aanvrager of sprake zou kunnen zijn van een acuut onveilige situatie;
    • indien van toepassing de melding dat de schade bij een ander orgaan aanhangig is gemaakt;
    • een verklaring dat de aanvrager zijn vordering tot vergoeding van schade op de exploitant van het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 6:177 BW, overdraagt op de Staat der Nederlanden, ter zake van de schade waarop de aanvraag betrekking heeft.
  4. De aanvrager verschaft voorts de overige gegevens en bescheiden die voor het nemen van de beslissing op zijn aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Artikel 1.2    Ontvangst van de aanvraag

  1. Het Instituut bevestigt de ontvangst van de aanvraag tot schadevergoeding binnen een week na de ontvangst daarvan. 
  2. Het Instituut stelt de aanvrager in kennis van de te volgen procedure en de termijn waarbinnen de aanvrager een besluit op zijn aanvraag kan verwachten. 

Artikel 1.3    Aanvulling van de aanvraag

  1. Het Instituut verzoekt de aanvrager om aanvulling van gegevens en stukken indien niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 1.1, indien dit nodig is voor de beslissing op de aanvraag en de aanvrager over de gegevens en stukken redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
  2. Het Instituut stelt de aanvrager in de gelegenheid om de ontbrekende gegevens en stukken aan te leveren binnen een termijn van twee weken na verzending van de brief, waarin hem is verzocht de ontbrekende gegevens en stukken aan te leveren.
  3. Het Instituut kan beslissen om de aanvraag niet in behandeling te nemen indien de door de aanvrager verstrekte gegevens en stukken onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de aanvrager niet heeft voldaan aan het verzoek om de aanvraag aan te vullen. 

Artikel 1.4     Zaakbegeleider

  1. Het Instituut beschikt over zaakbegeleiders. 
  2. De zaakbegeleiders zijn werkzaam voor het Instituut en treden op als procesbegeleider. De zaakbegeleider heeft tot taak om de aanvrager te begeleiden gedurende de behandeling van zijn aanvraag en een eventueel bezwaar. De zaakbegeleider vervult zijn rol onpartijdig.
  3. Het Instituut kan aan de aanvrager een zaakbegeleider toewijzen indien het daartoe in het belang van de aanvrager aanleiding ziet. De toewijzing of vervanging van een zaakbegeleider, kan in elk stadium van de behandeling van de aanvraag of het bezwaar plaatsvinden. 
  4. Indien de aanvraag betrekking heeft op fysieke schade aan een woning zal het Instituut in elk geval tijdens het plannen van een opname aan de aanvrager aanbieden om een zaakbegeleider toe te wijzen. In andere gevallen kan het Instituut een zaakbegeleider aanbieden indien de aanvrager aangeeft daar behoefte aan te hebben of indien het Instituut anderszins van oordeel is dat het belang van de desbetreffende aanvrager hiermee is gediend.

Artikel 1.5    Benoeming deskundigen

  1. Het Instituut kan één of meerdere deskundigen benoemen om hem advies te geven over de op de aanvraag te nemen beslissing.
  2. Het Instituut stelt de aanvrager in kennis van zijn voornemen of zijn beslissing tot benoeming van één of meerdere deskundigen.
  3. De aanvrager kan binnen twee weken na dagtekening van deze kennisgeving schriftelijk een zienswijze geven over de (voorgenomen) benoeming van de deskundige. Het Instituut kan deze termijn desgevraagd verlengen.
  4. Indien uit de zienswijze naar het oordeel van het Instituut blijkt dat de deskundige niet beschikt over de deskundigheid die benodigd is om het gevraagde advies uit te brengen, of dat de deskundige niet onafhankelijk of onpartijdig is, of althans dat de schijn daarvan is gewekt, wijst het Instituut een andere deskundige aan. 

Artikel 1.6    Besluit zonder onderzoek door deskundige

Het Instituut beslist op de aanvraag, zonder dat onderzoek is verricht door een deskundige als bedoeld in artikel 1.5 indien:

  1. naar zijn oordeel zodanig onderzoek niet nodig is om op de aanvraag te beslissen; of
  2. het bestaan van schade als bedoeld in artikel 1 van de Tijdelijke wet Groningen niet aannemelijk is en de aanvrager desgevraagd ook onvoldoende heeft gesteld om dit bestaan alsnog aannemelijk te maken. 

Artikel 1.7    Besluit tot schadevergoeding

  1. Het Instituut vergoedt de schade door middel van het toekennen van een geldbedrag. 
  2. Het Instituut kan aan de toekenning van een schadevergoeding in geld voorwaarden verbinden, indien en voor zover het voldoen aan deze voorwaarden noodzakelijk is voor het bestaan van de aanspraak op schadevergoeding.  
  3. Het Instituut kan, in afwijking van het eerste lid, ertoe besluiten om de schade in natura te vergoeden. Het Instituut kan alleen van deze mogelijkheid gebruik maken indien de aanvrager het Instituut daarom heeft verzocht of daarmee heeft ingestemd. 
  4. Het Instituut kan op ieder moment gedurende de behandeling van de aanvraag afzien van zijn voornemen om de schade in natura te vergoeden. 
  5. Indien het Instituut ertoe beslist om de schade in natura te vergoeden, verbindt het aan zijn besluit de voorwaarde dat tussen de aanvrager en de Staat der Nederlanden een uitvoeringsovereenkomst tot stand komt. Het Instituut kan hiertoe een model aan het besluit hechten. 

HOOFDSTUK 2:    FYSIEKE SCHADE AAN EEN GEBOUW OF WERK

Artikel 2.1    Fysieke schade aan een gebouw of werk

  1. Het bepaalde in dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op aanvragen tot schadevergoeding in verband met fysieke schade aan een gebouw of werk, en de materiële schade die een gevolg van de fysieke schade is. 
  2. Een verzoek tot schadevergoeding in verband met fysieke schade wordt behandeld met toepassing van de individuele maatwerkbeoordeling zoals beschreven in hoofdstuk 2A, tenzij de aanvrager verzoekt om toepassing van een forfaitaire beoordeling als bedoeld in hoofdstuk 2B en de aanvraag voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

HOOFDSTUK 2A: INDIVIDUELE MAATWERKBEOORDELING

Artikel 2.2    Advisering deskundigen

  1. Indien het Instituut een deskundige benoemt ter advisering over een aanvraag tot vergoeding van fysieke schade aan een gebouw of werk, neemt de deskundige de schade op en rapporteert hij over de aard van de schade in het licht van de door het Instituut te maken beoordeling. Bij zijn advisering neemt de deskundige de regels van het civielrechtelijke aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht in acht.
  2. Tenzij het Instituut de deskundige een bijzondere adviesopdracht geeft, stelt de deskundige in dit kader in ieder geval een onderzoek in naar:
    • de aard en omvang van de door de aanvrager gestelde schade;
    • de vraag of de schade als bedoeld onder a, met inachtneming van het bewijsvermoeden uit artikel 6:177a BW, kan worden beschouwd als een gevolg van beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg;
    • de vraag naar de wijze waarop en het bedrag waarmee de schade, die als een gevolg van de oorzaak, bedoeld onder b, kan worden beschouwd, moet worden vergoed;
    • de vraag of er overigens redenen zijn om de schade niet, of slechts ten dele, te vergoeden.

      Het onderzoek vindt plaats overeenkomstig de Praktische Uitwerking van het Instituut, die op de website van het Instituut is gepubliceerd, tenzij de deskundige in de omstandigheden van het geval aanleiding ziet om daarvan af te wijken.
  3. Het Instituut kan aan de deskundige vragen om een globale nulmeting uit te voeren.
  4. De deskundige brengt zijn advies uit aan het Instituut binnen een door het Instituut gestelde termijn. Indien de deskundige binnen de gestelde termijn geen advies kan uitbrengen, deelt de deskundige dit, onder opgaaf van redenen, aan het Instituut mee voor het einde van de termijn en kan het Instituut de termijn met ten hoogste zes maanden verlengen. Het Instituut stelt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis. 
  5. Indien het voor het uitbrengen van een advies noodzakelijk is dat meerdere deskundigen worden benoemd, kan de deskundige of kunnen de deskundigen het Instituut daarom verzoeken. Artikel 1.5 is van overeenkomstige toepassing.
  6. Indien de aanvraag zich naar het oordeel van het Instituut daarvoor leent, kan het Instituut ervoor kiezen om de schade ten behoeve van de advisering door de deskundige op te laten nemen door een opnemer.

Artikel 2.3    Aannemersvariant

  1. Het Instituut kan, indien de aanvraag zich daarvoor leent, een aanvrager aanbieden om zijn aanvraag te behandelen door middel van de aannemersvariant. 
  2. Als de aanvrager ervoor kiest om gebruik te maken van de aannemersvariant, dan neemt in afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, een door het Instituut aangewezen aannemer de schade op en maakt de aannemer een beoordeling van de kosten van herstel van de schade. Voor het overige is het bepaalde in artikel 2.2 onverkort van toepassing.

Artikel 2.4    Zienswijze

  1. Na ontvangst van het advies, bedoeld in artikel 2.2, vierde lid, stelt het Instituut de aanvrager in de gelegenheid om binnen een termijn van twee weken, mondeling of schriftelijk, een zienswijze te geven op het advies van de deskundige.
  2. Het Instituut kan de termijn op verzoek van de aanvrager of ambtshalve verlengen.
  3. De termijn wordt desgevraagd verlengd met een periode van vier weken, tenzij de aanvrager op goede gronden om een afwijkende termijn heeft verzocht.

Artikel 2.5    Nadere advisering

  1. Indien dit noodzakelijk is om op de aanvraag te kunnen besluiten, kan het Instituut vragen om:
    • een nader advies van de deskundige, of; 
    • een tweede advies van één of meerdere andere deskundigen. 
  2. Van het verzoek om een nader advies of een tweede advies wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager. 
  3. Artikel 2.4 is van overeenkomstige toepassing op het nadere advies, bedoeld in het eerste lid, onder a, indien daartoe naar het oordeel van het Instituut uit oogpunt van zorgvuldigheid aanleiding bestaat. Artikel 2.4 is in elk geval van toepassing op een tweede advies als bedoeld in het eerste lid, onder b. 

Artikel 2.6    Bijkomende kosten

  1. Het Instituut kan indien voor fysieke schade aan een gebouw of werk een schadevergoeding is toegekend, indien aan de orde, een vergoeding toekennen voor de bijkomende kosten die zijn veroorzaakt door de fysieke schade.
  2. Het Instituut maakt voor het volgende nadeel gebruik van een forfaitaire vergoeding:
    a thuis blijven tijdens de schadeopname         € 100 per dagdeel
    b thuis blijven tijdens het schadeherstel         € 100 per dagdeel
    c schoonmaakkosten € 175 per schademelding
    d reiskosten € 0,28 per kilometer
  3. Het Instituut kent voor het volgende nadeel een vergoeding toe, die afhankelijk is van de werkelijke kosten zoals door de aanvrager gemaakt en voor de advies- en begeleidingskosten niet hoger is dan het gestelde maximum: 
    a inboedel- en tuinschade  
    b verhuiskosten  
    c opslagkosten  
    d overnachtingskosten  
    e advieskosten maximaal € 137 per uur excl. BTW
    f juridische begeleidingskosten maximaal € 175 per uur excl. BTW
    g andere begeleidingskosten maximaal € 137 per uur excl. BTW
  4. De onder sub e, f en g bedoelde kosten worden voor wat betreft de procedure totdat een besluit op het verzoek om schadevergoeding is genomen, voor maximaal 20 uren vergoed, mits is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets. Het Instituut kan in uitzonderlijke omstandigheden een hogere vergoeding toekennen. In het kader van de behandeling van een bezwaar geeft het Instituut voor wat betreft de juridische begeleidingskosten toepassing aan artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht.
  5. Indien de aanvrager een woningcorporatie is en bij convenant nadere afspraken zijn gemaakt over de vergoeding van bijkomende kosten, dan gelden, in afwijking van de voorgaande leden, de in het convenant gemaakte afspraken. 

Artikel 2.7    Overlastvergoeding

  1. Het Instituut kan indien schadevergoeding is toegekend voor fysieke schade aan een gebouw of werk een overlastvergoeding toekennen.
  2. De overlastvergoeding strekt tot vergoeding van de immateriële schade die een gevolg is van de betreffende fysieke schade, alsook van het nadeel dat een gevolg is van de procedure tot afhandeling van de fysieke schade. 
  3. De overlastvergoeding wordt voor de eigenaren gezamenlijk vastgesteld op een bedrag van € 300 indien de vergoeding voor de fysieke schade een bedrag tot € 10.000 beloopt en op € 600 indien de fysieke schade genoemd bedrag te boven gaat. De overlastvergoeding wordt verhoogd met een bedrag van € 300 indien, buiten de schuld van de aanvrager, na meer dan één jaar sinds de dag waarop de aanvraag is ingediend daarop wordt beslist of met € 600 indien dit meer dan twee jaar in beslag heeft genomen. 
  4. Indien het gebouw wordt verhuurd ten behoeve van bewoning dan kan aan de huurders gezamenlijk een overlastvergoeding van € 300 worden toegekend.
  5. Het Instituut kan afzien van het voor een tweede keer of meerdere keren toekennen van een overlastvergoeding indien de schade van de aanvrager door zijn toedoen in twee of meer afzonderlijke procedures moet worden afgehandeld.

Artikel 2.7a

  1. De bedragen, bedoeld in artikel 2.6, tweede lid, onderdelen a en b, kunnen jaarlijks geïn-dexeerd worden aan de hand van de stijging van het minimumloon voor werknemers van 21 jaar en ouder, uitgaande van een werkweek van 36 uur, waarbij de hoogte wordt vastgesteld aan de hand van tweemaal het wettelijk bruto minimumloon.
  2. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.6, derde lid, onderdeel f, kan jaarlijks worden geïndexeerd overeenkomstig de wijze waarop de vergoeding, bedoeld in artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken wordt geïndexeerd.
  3. De indexatie vindt plaats op 1 januari van het betreffende kalenderjaar. Het Instituut publiceert de geïndexeerde vergoedingen op zijn website en kan daarbij de bedragen naar boven afronden.
  4. Indien gedurende het kalenderjaar de vergoeding, bedoeld in artikel 6, of artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken wordt gewijzigd, gaat die wijziging voor de toepassing van artikel 2.6, tweede en derde lid, in op 1 januari van het komende kalenderjaar.

HOOFDSTUK 2B: VASTE VERGOEDING

Artikel 2.8    Vaste vergoeding

  1. Het Instituut kan de aanvraag tot vergoeding van fysieke schade afhandelen door middel van het toekennen van een eenmalige vaste vergoeding van € 5.000,-.
  2. Het Instituut biedt een aanvrager de mogelijkheid om een vaste vergoeding aan te vragen, indien:
    1. de aanvraag betrekking heeft op een volledig object, zijnde een onroerende zaak met een eigen kadastrale aanduiding met ten minste één adres als bedoeld in de BAG;
    2. (i) de aanvrager een natuurlijk persoon is die de eigendom heeft van het object, tenzij die eigendom is belast met een beklemrecht, een recht van opstal of een recht van erfpacht; of (ii) de aanvrager een natuurlijk persoon is die het beklemrecht, het recht van opstal of het recht van erfpacht op het object heeft;
    3. de aanvraag is ingediend namens alle natuurlijke personen die recht hebben op de vergoeding, als dat meerdere personen zijn;
    4. (i) zich op het adres van het object, sinds de bouw van ten minste één pand, als gevolg van een aardbeving uit het Groningenveld of de gasopslag Norg, een trillingssnelheid heeft voorgedaan van meer dan 2 mm/s, te berekenen via de methode van Bommer, met een overschrijdingskans van 1%; of (ii) het object ligt in een door het Instituut aangewezen gebied waar schade kan zijn opgetreden als gevolg van indirecte effecten van diepe bodemdaling, veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld of de gasopslag Norg. 
    5. voor het object niet eerder: (i) schade is behandeld door de NAM, het CVW of de burgerlijke rechter, ongeacht de wijze waarop de schade is afgehandeld; of (ii) een besluit op een aanvraag tot schadevergoeding is genomen door de TCMG of het Instituut; en
    6. de aanvrager nog geen drie keer van de vaste vergoeding gebruik heeft gemaakt, of, indien de aanvraag wordt ingediend namens meerdere personen gezamenlijk, geen van de aanvragers drie keer van de vaste vergoeding gebruik heeft gemaakt. 
  3. Als de aanvrager een vaste vergoeding aanvraagt, verzoekt het Instituut de aanvrager om alle schade aan het object op te nemen of te laten opnemen op de wijze zoals beschreven in artikel 2.9. 
  4. Als de aanvrager alle schade aan het object heeft opgenomen of heeft laten opnemen op de wijze zoals beschreven in artikel 2.9, en nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden uit het tweede lid, doet het Instituut de aanvrager een definitief aanbod om de schade door middel van een vaste vergoeding af te handelen. Onderdeel van het aanbod is het bepaalde met betrekking tot de finaliteit in artikel 2.10. Als de aanvrager het aanbod accepteert, komt een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW tot stand. 
  5. Nadat de vaststellingsovereenkomst als bedoeld in het vierde lid tot stand is gekomen, neemt het Instituut een besluit op de aanvraag en keert het de vaste vergoeding uit. 
  6. Het Instituut doet geen definitief aanbod als bedoeld in het vierde lid en/of wijst een aanvraag van een vaste vergoeding af indien: 
    • niet meer aan één van de in het tweede lid genoemde voorwaarden is voldaan;
    • de aanvrager of één van de gezamenlijke aanvragers inmiddels reeds drie keer van de vaste vergoeding gebruik heeft gemaakt;
    • in het kader van de aanvraag is gekozen voor een individuele maatwerkbeoordeling als bedoeld in hoofdstuk 2A;
    • voor de behandeling van de aanvraag, of een andere aanvraag voor hetzelfde object, op of ná 7 juni 2021 een afspraak is gepland voor een opname van de schade;
    • de aanvrager niet alle schade aan het object heeft opgenomen of heeft laten opnemen op de wijze zoals beschreven in artikel 2.9;
    • uit de opname als bedoeld in artikel 2.9 niet blijkt van schade; 
    • de aanvrager het definitieve aanbod als bedoeld in het vierde lid, niet heeft aanvaard; of
    • het vermoedt dat er sprake is van fraude of misbruik. 

Artikel 2.9    Omvang en opname van de schade

  1. De aanvrager dient het bestaan en de omvang van de fysieke schade aan het object voldoende te onderbouwen. Hiertoe dient de aanvrager alle schade en gebreken die aanwezig zijn aan het object, op te nemen en vast te leggen in een applicatie die door het Instituut ter beschikking wordt gesteld. Het Instituut kan desgevraagd en zo nodig instemmen met een andere manier om de schade te onderbouwen. De beslistermijn is opgeschort gedurende de tijd dat deze opname niet is uitgevoerd.
  2. Het Instituut kan ervoor kiezen om in plaats van het gebruik van de applicatie als bedoeld in het eerste lid de schade aan het object op te laten nemen door een deskundige of opnemer. In dat geval zal een nulmeting worden uitgevoerd. Het Instituut kan er ook voor kiezen om ter controle of de aanvrager heeft voldaan aan het bepaalde in het eerste lid een nulmeting uit te voeren na ontvangst van de opname van de aanvrager.

Artikel 2.10    Finaal karakter van de vaste vergoeding

  1. Met het toekennen van een vaste vergoeding op grond van artikel 2.8 is alle schade aan het object vergoed en afgehandeld; ongeacht de inhoud van de schademelding, de beschrijving van de schade als bedoeld in artikel 1.3, derde lid, of de opname als bedoeld in artikel 2.9. 
  2. Met de vaste vergoeding is ook voorzien in een eenmalige en finale vergoeding voor alle bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast. Alleen waardedaling als bedoeld in hoofdstuk 3 en immateriële schade als bedoeld in hoofdstuk 4 valt hier niet onder.
  3. Het Instituut zal een nieuwe aanvraag tot schadevergoeding met betrekking tot een object waar een vaste vergoeding voor is toegekend afwijzen, indien tussen het moment van totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.8, vierde lid, en het moment van het indienen van de aanvraag:
    • zich geen aardbeving heeft voorgedaan in het Groningenveld of de gasopslag Norg die op het adres van het object heeft geleid tot een trillingssnelheid van 5 mm/s, te berekenen met de methode van Bommer met 1% overschrijdingskans; en
    • geen nieuwe schade aan het object is opgetreden als gevolg van indirecte effecten van diepe bodemdaling, veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld of de gasopslag Norg. 

HOOFDSTUK 3: SCHADE BESTAANDE UIT WAARDEDALING

Artikel 3.1    Waardedaling van woningen

  1. Het bepaalde in de artikelen 3.1 tot en met 3.5 is uitsluitend van toepassing op de behandeling van aanvragen tot vergoeding van schade die bestaat uit de waardedaling van een woning, welke waardedaling niet een gevolg is van fysieke schade aan de woning, bedoeld in hoofdstuk 2.

  2. Onder een woning wordt verstaan een onroerende zaak, met daarop een pand, die volgens de Landelijke Voorziening Basisregistraties Adressen en Gebouwen een woonfunctie heeft.

Artikel 3.2    Methode tot begroting waardedaling

  1. Het Instituut begroot de omvang van de waardedaling van een woning met toepassing van de methode die is beschreven in het onderzoek van Atlas Research (J. Poort e.a., ‘Herstel, maar nog niet hersteld, Atlas Research, april 2022).

  2. Bij de toepassing van de methoden uit het eerste lid, volgt het Instituut de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen, met inachtneming van hetgeen overigens in dit hoofdstuk is bepaald.

Artikel 3.3    Peildatum

  1. Het Instituut hanteert voor het bepalen van de omvang van de waardedaling 1 januari 2021 als peildatum.

  2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, hanteert het Instituut voor het bepalen van de omvang van de waardedaling de datum van notariële levering van de eigendom van een woning indien die levering heeft plaatsgevonden na 16 augustus 2012 maar voor de peildatum.

  3. Het Instituut kan beslissen om een actuelere peildatum vast te stellen dan de datum die is genoemd in het eerste lid, mits voor die peildatum ook een geactualiseerde versie van de methode, bedoeld in artikel 3.2, beschikbaar is gesteld aan het Instituut.

  4. Indien het Instituut beslist tot vaststelling van een nieuwe peildatum, dan publiceert hij die beslissing op zijn website. 

  5. De nieuwe peildatum is van toepassing op alle aanvragen tot vergoeding van waardedaling waarvoor de aanvraag is ingediend op of na de dag waarop het Instituut de beslissing tot vaststelling van een actuelere peildatum heeft gepubliceerd op zijn website. Daarnaast is de nieuwe peildatum van toepassing op aanvragen die waren ingediend vóór die dag, maar waarop nog geen beslissing is genomen, mits de nieuwe peildatum tot een hoger bedrag aan waardedaling leidt. Indien een nieuwe peildatum is vastgesteld kan geen aanvraag meer worden ingediend voor de waardedaling die is ontstaan op de peildatum als genoemd in het eerste lid.

Artikel 3.4    Omvang van de waardedaling

  1. De waardedaling wordt bepaald aan de hand van een vergelijking van de waarde van de woning op de peildatum met de waarde die de woning zou hebben gehad zonder het effect van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de peildatum. 

  2. Het Instituut gaat voor de waarde van de woning met het effect van bodembeweging uit van de WOZ-waarde zoals die is vastgesteld voor de peildatum. 

  3. Voor de waarde van de woning, waarbij het effect van bodembeweging is weggedacht, wordt uitgegaan van de WOZ-waarde als bedoeld in het tweede lid, maar vermeerderd met het percentage waardedaling volgens de formule, waarbij x geldt als het percentage waardedaling.

  4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt afgeweken van de WOZ-waarde indien de aanvrager de betreffende woning voorafgaand aan de aanvraag heeft verkocht en overgedragen. In dat laatste geval wordt voor de waarde van de woning uitgegaan van de verkoopprijs van de woning. Indien de verkoopprijs niet kan worden vastgesteld aan de hand van de notariële akte, zal het Instituut (alsnog) uitgaan van de laatste WOZ-waarde voorafgaand aan de verkoop. 

  5. Het Instituut hanteert voor het bepalen van het percentage van de waardedaling van een woning het percentage dat volgt uit de methode van Atlas Research (voorheen: Atlas voor gemeenten), waarbij wordt uitgegaan van het model met bevingen van 2,9 mm/s of meer, te vermeerderen met eenmaal de standaardfout in verband met eventuele individuele verschillen of onzekerheden.

  6. Het Instituut houdt bij het bepalen van de waardedaling van de woning die toekomt aan de aanvrager, rekening met de zakenrechtelijke positie van de aanvrager ten opzichte van de woning, waaronder de periode waarin de eigenaar die woning in eigendom had en de waardedaling die gedurende deze periode is opgetreden, het gedeelte van de eigendom dat aan de aanvrager toebehoort en of de aanvrager de eigendom van de woning heeft. 

Artikel 3.5    Finaal karakter vergoeding

  1. In de door het Instituut toegekende vergoeding voor de waardedaling van een woning zijn de goede en kwade kansen op toekomstige aardbevingen verdisconteerd. De vergoeding betreft daarom een volledige en eenmalige vergoeding voor de waardedaling van de woning en heeft een finaal karakter. 

  2. Het Instituut zal de toegekende vergoeding niet herzien, indien later blijkt dat de waardedaling anders zou moeten worden begroot of indien blijkt dat de waardedaling is toe- of afgenomen.

  3. Het Instituut zal zijn besluit tot toekenning van een vergoeding voor waardedaling uitsluitend, desgevraagd en in weerwil van dit finale karakter, kunnen heroverwegen indien na inwerkingtreding van deze werkwijze bevingen optreden die van dien aard zijn dat die op 1 januari 2021 onvoorzienbaar geacht moesten worden én daaruit onvoorzienbare en substantiële prijseffecten voortvloeien. 

  4. Het Instituut is van oordeel dat bevingen en de daaruit voortvloeiende prijseffecten als voorzienbaar moeten worden beschouwd, en dus geen aanleiding vormen om de toegekende vergoeding voor waardedaling te heroverwegen, indien deze bevingen een magnitude hebben van minder dan 4, tenzij binnen een periode van 365 aaneengesloten kalenderdagen ten minste twee bevingen optreden met een magnitude van 3,6 op de schaal van Richter of meer.

Artikel 3.6    Waardedaling van een ‘niet-woning’

  1. Het bepaalde in de artikelen 3.6 tot en met 3.10 is uitsluitend van toepassing op de behandeling van aanvragen tot vergoeding van schade die bestaat uit waardedaling van een ‘niet-woning’, welke waardedaling niet een gevolg is van fysieke schade aan de niet-woning, bedoeld in hoofdstuk 2.

  2. Onder ‘waardedaling’ wordt verstaan een verminderde opbrengst bij verkoop van een ‘niet- woning’ door de beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg.

  3. Onder een ‘niet-woning’ wordt verstaan een gebouw of werk dat duurzaam met de grond is verenigd, dat niet of slechts voor een deel voor woondoeleinden wordt gebruikt en volgens de Landelijke Voorziening Basisregistraties Adressen en Gebouwen op een adres staat ingeschreven. 

  4. Het Instituut zal verzoeken tot vergoeding van de waardedaling van een niet-woning behandelen vanaf de hierna genoemde datum, afhankelijk van de gemeente(s), waarin de niet woning is gelegen:

    • A. Voormalige gemeentes Loppersum en Appingedam, vanaf 1 juli 2021.

    • B. Nader te bepalen gemeenten vanaf nader te noemen data.

  5. Een verzoek tot vergoeding van waardedaling voor een niet-woning kan worden ingediend nadat de niet-woning is verkocht en in eigendom is overdragen.

Artikel 3.7    Advisering deskundigen

  1. Ingevolge artikel 1.5 van deze Werkwijze kan het Instituut een of meer deskundigen benoemen ter advisering over een aanvraag tot vergoeding van waardedaling van een niet-woning. Bij de advisering nemen de deskundigen de regels van het civielrechtelijke aansprakelijkheids– en schadevergoedingsrecht in acht. In afwijking van artikel 1.5, derde lid van deze Werkwijze stelt het Instituut de aanvrager in de gelegenheid om binnen een termijn van vier weken, mondeling of schriftelijk, een zienswijze te geven op de voorgenomen benoeming van de deskundige(n).

  2. Tenzij het Instituut de deskundige(n) een bijzondere adviesopdracht geeft, stellen de deskundigen in dit kader in ieder geval een onderzoek in naar:

    • A. de vraag of de schade, bedoeld in artikel 3.6, kan worden beschouwd als een gevolg van de beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg.

    • B. het bedrag waarmee de schade, die als een gevolg van de oorzaak, bedoeld onder a, kan worden beschouwd, moet worden vergoed.

    • C. de vraag of er redenen zijn om de schade niet, of slechts ten dele, te vergoeden.

  3. De deskundigen brengen het advies uit aan het Instituut binnen een door het Instituut gestelde termijn. Indien de deskundigen binnen de gestelde termijn geen advies kunnen uitbrengen, deelt de deskundige dit, onder opgaaf van redenen, aan het Instituut mee voor het einde van de termijn en kan het Instituut de termijn met tenminste zes maanden verlengen. Het Instituut stelt de aanvrager daarvan in kennis.

  4. Indien voor het uitbrengen van een advies noodzakelijk is dat meerdere deskundigen worden benoemd, kan de deskundige of kunnen de deskundigen het Instituut daarom verzoeken. Artikel 1.5 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.8    Zienswijze

  1. Na ontvangst van het advies, bedoeld in artikel 3.7, derde lid, stelt het Instituut de aanvrager in de gelegenheid om binnen een termijn van vier weken, mondeling of schriftelijk, een zienswijze te geven op het advies van de deskundigen.

  2. Het Instituut kan de termijn op verzoek van de aanvrager of ambtshalve verlengen.

  3. De termijn wordt desgevraagd met een periode van vier weken verlengd, tenzij de aanvrager op goede gronden om een afwijkende termijn heeft verzocht. 

Artikel 3.9    Nadere advisering

  1. Indien dit noodzakelijk is om op de aanvraag te kunnen besluiten, kan het Instituut vragen om:

    • A. een nader advies van de deskundige; of;

    • B. een tweede advies van een of meer andere deskundigen.

  2. Van het verzoek om een nader advies of een tweede advies wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.

  3. Artikel 3.8 is van overeenkomstige toepassing op het nadere advies, bedoeld in het eerste lid, onder a, indien daartoe naar het oordeel van het Instituut uit oogpunt van zorgvuldigheid aanleiding bestaat. Artikel 3.8 is in elk geval van toepassing op het tweede advies, bedoeld in het eerste lid, onder B.

Artikel 3.10     Dubbelfuncties

  1. Indien een pand naast een woonfunctie als bedoeld in artikel 3.1 ook een andere functie heeft, dan zal het Instituut het pand in zijn geheel als een woning beschouwen indien het pand zijn waarde in overwegende mate ontleent aan zijn woonfunctie. In dat geval wordt de waardedaling van het pand finaal vastgesteld aan de hand van de woonfunctie en bestaat voor het overige geen aanspraak op een vergoeding voor waardedaling.

  2. Indien het pand niet in overwegende mate, maar slechts mede zijn waarde ontleent aan zijn woonfunctie, dan zal het Instituut voor de waarde van de woning uitgaan van de waarde die in het taxatieverslag bij de beschikking tot vaststelling van de WOZ-waarde is toegekend aan de onderdelen van de onroerende zaak die de woonfunctie mogelijk maken. Voor deze onderdelen kan de aanvrager de ontstane waardedaling vergoed krijgen op grond van de artikelen 3.1 en volgende.

  3. Indien het pand zijn waarde niet mede ontleent aan zijn woonfunctie, dan kan de waardedaling van het pand niet worden begroot met de methode voor woningen. Een aanvraag op grond van de artikelen 3.1 en volgende zal dan worden afgewezen. In dat geval kan de aanvrager een verzoek doen tot vergoeding van waardedaling met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 3.6 en volgende met betrekking tot de waardedaling van niet-woningen.

  4. Indien het Instituut op grond van het tweede lid een vergoeding heeft toegekend, dan kan de aanvrager daarnaast met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 en volgende een verzoek doen tot vergoeding van de waardedaling van de niet-woning. Als een vergoeding wordt toegekend voor de waardedaling van de niet-woning kan daarop de reeds toegekende vergoeding voor de woonfunctie daarop in mindering worden gebracht, mits bij de begroting van de waardedaling van de niet-woning de woonfunctie in aanmerking is genomen.

Artikel 3.11    Overgangsbepaling besluiten van 6 april 2022 tot 1 januari 2023

  1. Voor een besluit tot de vergoeding van waardedaling van een woning, genomen tussen 6 april 2022 en 1 januari 2023, geldt dat indien de begroting van waardedaling zoals in dit hoofdstuk is bepaald tot een hogere vergoeding zou hebben geleid dan reeds is toegekend bij het genomen besluit, het Instituut ambtshalve het verschil tussen de toegekende en nieuw berekende vergoeding vergoedt.

  2. Op aanvragen ingediend voor 1 januari 2023, maar waarop wordt besloten vanaf 1 januari 2023, wordt de methode als genoemd in artikel 3.2 van de werkwijze toegepast. Zou toepassing van de methode ’’J. Poort e.a., ‘Zeven bewogen jaren’, (Atlas voor gemeenten, oktober 2019)’’, met peildatum 1 januari 2019 en de daarover uitgebrachte adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen en hetgeen overigens in dit hoofdstuk is bepaald (hierna: Methodiek 2019), in een geval als bedoeld in dit lid leiden tot een hogere waardedalingsvergoeding, wordt in plaats daarvan de Methodiek 2019 toegepast.

Artikel 3.12    Overgangsbepaling tegemoetkoming waardedaling

  1. Aanvragen tot tegemoetkoming waardedaling, zoals bedoeld in de “Wijziging van het Besluit Tijdelijke wet Groningen in verband met het opdragen van andere taken en bevoegdheden aan het Instituut Mijnbouwschade Groningen’’, worden begroot op basis van het verschil tussen de methode tot de begroting van waardedaling zoals in dit hoofdstuk is bepaald en de vergoeding voor schade door waardedaling aan hun woning die eigenaren eerder hebben ontvangen van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM).

  2. Aanvragen tot tegemoetkoming waardedaling, ingediend tot 1 juli 2023, worden begroot op basis van het verschil tussen de methode tot de begroting van waardedaling ’’J. Poort e.a., ‘Zeven bewogen jaren’, (Atlas voor gemeenten, oktober 2019)’’, met peildatum 1 januari 2019 en de daarover uitgebrachte adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen en hetgeen overigens in dit hoofdstuk is bepaald (Methodiek 2019), en de vergoeding voor schade door waardedaling aan hun woning die eigenaren eerder hebben ontvangen van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), indien dit verschil groter is dan de uitkomst op basis van het eerste lid van dit artikel.

HOOFDSTUK 4: IMMATERIËLE SCHADE

Artikel 4.1. Immateriële schade

  1. Het bepaalde in de artikelen 4.1 tot en met 4.8 is uitsluitend van toepassing op aanvragen tot vergoeding van immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 BW.
  2. Het Instituut behandelt een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade in beginsel aan de hand van de gestandaardiseerde methode die is beschreven in de volgende artikelen van dit hoofdstuk.
  3. In afwijking van de gestandaardiseerde methode beoordeelt het Instituut een aanvraag aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval, indien de aanvrager in zijn aanvraag of later stelt dat een correcte toepassing van de gestandaardiseerde methode naar zijn oordeel tot onvoldoende schadevergoeding zou leiden.
  4. In het geval, bedoeld in het derde, stelt het Instituut de aanvrager in de gelegenheid, eventueel tijdens een gesprek, om de feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die maken dat hij een recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Het Instituut zal deze aanvraag of dit bezwaar vervolgens individueel beoordelen.
  5. Het Instituut zal verzoeken tot vergoeding van immateriële schade behandelen vanaf de hierna genoemde datum, afhankelijk van de huidige woonplaats van de aanvrager:
  6. Gemeente Eemsdelta:
  7. Zeerijp, Leermens, Eenum en ‘t Zand: voor het einde van het vierde kwartaal van 2021, of zoveel eerder als mogelijk is;
  8. Loppersum: voor het einde van het eerste kwartaal van 2022, of zoveel eerder als mogelijk is;
  9. Appingedam en Delfzijl: voor het einde van het tweede kwartaal van 2022, of zoveel eerder als mogelijk is;
  10. Gemeente Het Hogeland: voor het einde van het derde kwartaal van 2022, of zoveel eerder als mogelijk is;
  11. Gemeenten Groningen en Midden-Groningen: voor het einde van het vierde kwartaal van 2022, of zoveel eerder als mogelijk is;
  12. Gemeente Oldambt en overige gemeenten: voor het einde van het eerste kwartaal van 2023, of zoveel eerder als mogelijk is.

Artikel 4.2     Gestandaardiseerde methode

  1. Voor de gestandaardiseerde methode komen natuurlijke personen in aanmerking die op het moment van de aanvraag meerderjarig zijn en die in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het doen van de aanvraag op enig moment woonachtig zijn geweest in het effectgebied waar het bewijsvermoeden van toepassing is (geweest), of ten aanzien van wier woning(en) ten tijde van de bewoning een vergoeding is toegekend vanwege fysieke schade die het gevolg is van bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg.
  2. Het Instituut beziet de volgende feiten en omstandigheden met betrekking tot de adressen waarop de aanvrager blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) woonachtig is geweest in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het doen van de aanvraag, om de nadelige gevolgen van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de aanvrager in te schatten:
  3. de locatie van de woning(en) van de aanvrager;
  4. de veiligheidssituatie ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager;
  5. de omvang van de fysieke schade aan woning(en) van de aanvrager, tot uitdrukking komend in de hoogte van de daarvoor toegekende schadevergoeding;
  6. de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de aanvraag tot vergoeding van de fysieke schade aan de woning(en) van de aanvrager.
  7. De feiten en omstandigheden genoemd in het tweede lid kunnen een aanwijzing vormen voor het bestaan van een persoonsaantasting. Aan de hand van de combinatie en het gewicht van deze aanwijzingen bepaalt het Instituut of het een persoonsaantasting aannemelijk acht en, zo ja, welke mate van persoonsaantasting aannemelijk is en welke schadevergoeding daarvoor moet worden toegekend.

Artikel 4.3      De locatie van de woning(en)

  1. Voor wat betreft de locatie van de woning(en) van de aanvrager maakt het Instituut onderscheid tussen de volgende situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
    Gebied   Aanwijzing persoonsaantasting
    Het effectgebied als bedoeld in artikel 4.2, niet zijnde een van de hierna bedoelde gebieden. 0 Geen aanwijzing
    Het gebied waarbinnen op grond van de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot 1 januari 2019 op enig moment tot 10% waardedaling is opgetreden. 1 Lichte aanwijzing
    Het gebied waar ingevolge de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot 1 januari 2019 op enig moment minimaal 10% waardedaling is opgetreden. 2 Aanwijzing
  2. Indien de aanvrager in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het doen van de aanvraag op verschillende adressen woonachtig is geweest, is de locatie die de sterkste aanwijzing voor een persoonsaantasting vormt bepalend.

Artikel 4.4      De veiligheidssituatie van de woning(en)

  1. Voor wat betreft de veiligheidssituatie van de woning(en) van de aanvrager onderscheidt het Instituut de volgende vijf situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
    Situatie   Aanwijzing persoonsaantasting
    Geen sprake van een objectieve indicator voor onveiligheid in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. 0 Geen aanwijzing
    De woning(en) van de aanvrager maakt naar weten van de aanvrager onderdeel uit of heeft onderdeel uitgemaakt van de versterkingsoperatie van de Nationaal Coördinator Groningen in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. 1 Lichte aanwijzing
    Ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager is door het bevoegd gezag een noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen vastgesteld in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. 2 Aanwijzing
    Ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager is door het bevoegd gezag een acuut onveilige situatie door mijnbouwschade vastgesteld in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. 3 Sterke aanwijzing
    De woning(en) van de aanvrager konden naar het oordeel van het bevoegd gezag tijdelijk niet meer bewoond worden of zijn door het bevoegd gezag onbewoonbaar verklaard in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was, als gevolg van een door het bevoegd gezag vastgestelde acuut onveilige situatie dan wel als gevolg van de noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen. 4 Zeer sterke aanwijzing
  2. Indien de aanvrager in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het doen van de aanvraag op verschillende adressen woonachtig is geweest, is de omstandigheid die de sterkste aanwijzing voor een persoonsaantasting vormt bepalend.

Artikel 4.5      De omvang van de fysieke schade aan de woning(en)

  1. Voor wat betreft de omvang van de fysieke schade aan de woning(en) betrekt het Instituut de som van alle uitgekeerde vergoedingen voor fysieke schade op de adressen waarop de aanvrager op enig moment gedurende de procedure tot afhandeling van die fysieke schade woonachtig was. Daarbij onderscheidt het Instituut de volgende vijf situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
    Som vergoedingen fysieke schade   Aanwijzing persoonsaantasting
    € 0 tot € 1.000 0 Geen aanwijzing
    € 1.000 tot € 10.000 1 Lichte aanwijzing
    € 10.000 tot € 25.000 2 Aanwijzing
    € 25.000 tot € 45.000 3 Sterke aanwijzing
    € 45.000 of meer 4 Zeer sterke aanwijzing
  2. Indien de aanvrager geen eigenaar was van de woning op het adres waarop de procedure tot afhandeling van fysieke schade als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft, wordt de vergoeding voor fysieke schade voor 50% betrokken in de som van uitgekeerde vergoedingen voor fysieke schade.

  3. Voor de toepassing van dit artikel wordt met de eigenaar als bedoeld in het tweede lid gelijkgesteld de duurzaam samenlevende partner van de eigenaar.

Artikel 4.6      De duur van de procedure(s) tot afhandeling van de fysieke schade aan de woning(en)

  1. Voor wat betreft de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de fysieke schade betrekt het Instituut de som van de afhandelingsduur van alle procedures tot afhandeling van fysieke schade aan de woning(en) op de adressen waarop de aanvrager op het moment van die afhandeling woonachtig was en ten aanzien waarvan de aanvrager eigenaar was. Daarbij onderscheidt het Instituut de volgende vijf situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
    Som afhandelingsduur   Aanwijzing persoonsaantasting
    0 tot 2 jaar 0 Geen aanwijzing
    2 tot 4 jaar 1 Lichte aanwijzing
    4 tot 6 jaar 2 Aanwijzing
    6 tot 8 jaar 3 Sterke aanwijzing
    8 jaar of meer 4 Zeer sterke aanwijzing
  2. Voor zover de afhandeling van de fysieke schade is uitgevoerd door de NAM of het CVW, wordt de afhandelingsduur bepaald aan de hand van het tijdsverloop tussen de schademelding en de uitbetaling van de schadevergoeding.
  3. Voor zover de afhandeling van de fysieke schade is uitgevoerd door de TCMG of het IMG, wordt de afhandelingsduur bepaald aan de hand van het tijdsverloop tussen de datum van de aanvraag tot schadevergoeding en de datum waarop het besluit op de aanvraag is genomen. In geval van bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures die gegrond zijn bevonden, worden de termijnen waarbinnen de afhandeling heeft plaatsgevonden bij elkaar opgeteld om de totale afhandelingsduur van de schademelding te bepalen.
  4. Bij het bepalen van de som van de afhandelingsduur als bedoeld in het eerste lid, kan het Instituut rekening houden met de termijn waarbinnen de afhandeling van de procedure(s) op verzoek van de aanvrager is opgeschort of anderszins te wijten is aan omstandigheden die redelijkerwijs voor rekening van de aanvrager dienen te worden gelaten.
  5. Voor de toepassing van dit artikel wordt met de eigenaar als bedoeld in het eerste lid gelijkgesteld de duurzaam samenlevende partner van de eigenaar.

Artikel 4.7      Weging en vaste bedragen

  1. Aan de hand van het cumulatieve gewicht van de individuele aanwijzingen voor een persoonsaantasting zoals bedoeld in de artikelen 4.3 tot en met 4.6, af te leiden uit het getal dat de intensiteit van de aanwijzing voor de persoonsaantasting aanduidt, acht het Instituut de volgende (mate van) persoonsaantasting aannemelijk:
    Cumulatieve gewicht aanwijzingen   Persoonsaantasting Vergoeding
    0 t/m 3 A Geen persoonsaantasting -
    4 t/m 6 B Persoonsaantasting € 1.500
    7 t/m 9 C Ernstige persoonsaantasting € 3.000
    10 t/m 14 D Bijzonder ernstige persoonsaantasting € 5.000
  2. Behoudens het bepaalde in artikel 4.8, kent het Instituut aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding toe.

Artikel 4.8      Persoonlijke impact analyse

  1. De aanvrager kan de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden aanvullen door middel van een door het Instituut vastgestelde en gevalideerde vragenlijst waarmee de persoonlijke impact van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de persoon van de aanvrager kan worden ingeschat.
  2. Bij deze inschatting betrekt het Instituut de volgende elementen:
    1. persoonlijk welbevinden,
    2. invloed op het dagelijks functioneren (gedrag) en
    3. invloed op sociale relaties. Om de mate van leedervaring te bepalen wordt voor elk van deze elementen de ervaring van de aanvrager vergeleken met een representatieve referentiegroep.
  3. Het Instituut schat de persoonlijke impact van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de persoon van de aanvrager op basis van het cumulatieve gewicht van de drie elementen in op een van de volgende profielen:
    • Profiel 1 = tot licht ervaren leed
    • Profiel 2 = enigszins ernstig ervaren leed
    • Profiel 3 = ernstig ervaren leed
    • Profiel 4 = bijzonder ernstig ervaren leed
  4. Indien de aanvrager de persoonlijke impact analyse, bedoeld in het eerste lid, heeft ingevuld, acht het Instituut aan de hand van het cumulatieve gewicht van de aanwijzingen voor een persoonsaantasting in combinatie met het profiel vanuit de persoonlijke impact analyse, als volgt het bestaan en de mate van persoonsaantasting aannemelijk:
    Cumulatieve gewicht aanwijzingen Profiel persoonlijke impact analyse   Persoonsaantasting Vergoeding
    0 t/m 2 1, 2, 3 of 4 A Geen persoonsaantasting -
    3 1 A Geen persoonsaantasting -
    3 2, 3 of 4 B Persoonsaantasting € 1.500
    4 1, 2, 3 of 4 B Persoonsaantasting € 1.500
    5 t/m 6 1 of 2 B Persoonsaantasting € 1.500
    5 t/m 6 3 of 4 C Ernstige persoonsaantasting € 3.000
    7 1, 2, 3 of 4 C Ernstige persoonsaantasting € 3.000
    8 t/m 9 1, 2 of 3 C Ernstige persoonsaantasting € 3.000
    8 t/m 9 4 D Bijzonder ernstige persoonsaantasting € 5.000
    10 t/m 14 1, 2, 3 of 4 D Bijzonder ernstige persoonsaantasting € 5.000
  5. Het Instituut kent aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het vierde lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding toe.

HOOFDSTUK 5: ACUUT ONVEILIGE SITUATIE

Artikel 5.1        Acuut onveilige situatie

  1. Een ieder kan bij het Instituut melding doen van het vermoeden van een acuut onveilige situatie. Op de website van het Instituut is een formulier geplaatst en telefoonnummer vermeld dat gebruikt kan worden voor deze melding.
  2. Onder een acuut onveilige situatie als bedoeld in artikel 2, zevende lid, van de Tijdelijke wet Groningen wordt verstaan: een situatie in het effectgebied, waarin als gevolg van de bouwkundige staat van een gebouw of werk een acuut gevaar bestaat voor de gezondheid of  veiligheid van personen.

Artikel 5.2        Inspectie en beoordeling

  1. Het Instituut pleegt zo spoedig mogelijk nadat hem uit een melding als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, of anderszins is gebleken van de mogelijkheid van een acuut onveilige situatie, vooroverleg met de rechthebbende op het gebouw of werk en waar zinvol met de melder, indien hij niet de rechthebbende is.
  2. Tenzij uit het vooroverleg blijkt dat geen sprake is van een acuut onveilige situatie, zal het Instituut de situatie onmiddellijk, maar in elk geval binnen 48 uur na indiening van de melding, inspecteren.
  3. Het Instituut laat zich bij de beoordeling of sprake is van een acuut onveilige situatie adviseren door een onafhankelijke deskundige. De deskundige legt zijn bevindingen achteraf vast in een verslag dat door het Instituut aan de rechthebbende op het gebouw of werk ter beschikking zal worden gesteld. De deskundige zendt zijn verslag uiterlijk binnen 3 dagen na de inspectie aan het Instituut.
  4. Het Instituut kan de onafhankelijk deskundige, bedoeld in het derde lid, of een andere deskundige, ook vragen om te adviseren over de vraag of de gevaar opleverende schade in causaal verband staat met bodembeweging door mijnbouwactiviteiten uit het Groningenveld of de gasopslag Norg, met het oog op een voortvarende afhandeling van een aanvraag als bedoeld in hoofdstuk 2 of met het oog op toepassing van artikel 5.3, tweede lid, onderdeel b.

Artikel 5.3        Veiligheidsmaatregelen

  1. Indien het Instituut vaststelt dat sprake is van een acuut onveilige situatie, stelt het de rechthebbende daarvan onverwijld op de hoogte en treft het in overleg met en na schriftelijke instemming van de rechthebbende de maatregelen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om de veiligheid te waarborgen.
  2. Indien het Instituut vaststelt dat er sprake is van een acuut onveilige situatie, kan het Instituut:
    • A. de schade op een duurzame wijze in natura herstellen, wanneer de kosten voor definitief herstel proportioneel zijn; of
    • B. met toepassing van artikel 6:184 van het Burgerlijk Wetboek verdergaande redelijke maatregelen treffen in het belang van beperking of voorkoming van toekomstige schade, zonder dat het gaat om de uitvoering van een versterking om te voldoen aan de vigerende veiligheidsnorm.
  3. Het Instituut geeft alleen toepassing aan het tweede lid, indien de rechthebbende hiermee schriftelijk heeft ingestemd.
  4. Indien de rechthebbende niet instemt met het uitvoeren van de door het Instituut voorgestane maatregelen als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, zal het Instituut hem in elk geval schriftelijk informeren over de daarmee gemoeide risico’s.

Artikel 5.4        Afhandeling melding

  1. Indien er geen sprake is van een acuut onveilige situatie, deelt het Instituut dit de melder gemotiveerd mede.
  2. Het Instituut informeert de rechthebbende op het gebouw of werk waaraan een acuut onveilige situatie is ontstaan daarnaast schriftelijk over de mogelijkheid om een verzoek tot schadevergoeding te doen als bedoeld in hoofdstuk 2. Indien de melding terecht is, zal dit verzoek met prioriteit worden behandeld. 
  3. De betrokkenheid van het Instituut bij de acuut onveilige situatie eindigt vijftien maanden nadat de melding is gedaan dan wel, indien dit eerder is, drie maanden nadat beslist is op de aanvraag tot schadevergoeding. 
  4. Het instituut kan de termijn, bedoeld in het derde lid, verlengen, indien de termijn naar het oordeel van het Instituut redelijkerwijs te kort is.
  5. Het Instituut inspecteert indien veiligheidsmaatregelen zijn getroffen, uiterlijk binnen één jaar na het treffen van die maatregelen, of zo veel eerder als door het Instituut nodig wordt geacht, de veiligheid van de situatie opnieuw.

Artikel 5.5.       Informatie-uitwisseling

  1. Het Instituut informeert de burgemeester van de betrokken gemeente uiterlijk binnen 48 uur nadat is vastgesteld dat sprake is van een acuut onveilige situatie. Het Instituut zendt daarnaast ook een verslag van de onafhankelijke deskundige als bedoeld in artikel 5.2, derde lid, aan de burgemeester nadat dit is opgeleverd.
  2. Het Instituut zal de burgemeester zo spoedig mogelijk informeren over de getroffen veiligheidsmaatregelen of over het feit dat de rechthebbende niet instemt met het uitvoeren van de door het Instituut voorgestane veiligheidsmaatregelen.
  3. Indien als gevolg van een aardbeving sprake is van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis als bedoeld in artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s zal het Instituut de in het eerste en tweede lid genoemde informatie mede doen toekomen aan de voorzitter van de veiligheidsregio’s.

HOOFDSTUK 6: BEZWAAR

Artikel 6.1    Ontvangst

  1. Het Instituut bevestigt de ontvangst van het bezwaarschrift schriftelijk aan de aanvrager.
  2. Als bij de indiening van het bezwaar niet is voldaan aan artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht of enig ander wettelijk vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om dit verzuim binnen twee weken te herstellen.
  3. Indien het bezwaarschrift is ingediend na ommekomst van de termijn uit artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht, stelt het Instituut de aanvrager in de gelegenheid om zijn zienswijze te geven op de redenen voor dit verzuim.

Artikel 6.2    Bezwaaradviescommissie

  1. Het Instituut stelt een onafhankelijke bezwaaradviescommissie in. 
  2. De bezwaaradviescommissie bestaat uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter.
  3. De voorzitter en de leden van de bezwaaradviescommissie worden benoemd, geschorst en ontslagen door het Instituut op voordracht van de voorzitter van het Instituut. Benoeming van een lid van de bezwaaradviescommissie geschiedt, tenzij anders is bepaald, voor een periode van twee jaar. De voorzitter van het Instituut beslist omtrent de bezoldiging van de leden van de bezwaaradviescommissie.
  4. Het Instituut kan besluiten om meerdere kamers in de bezwaaradviescommissie in te stellen voor verschillende onderdelen van de taak van het Instituut. De voorzitter van de bezwaaradviescommissie is ook voorzitter van de kamers. Leden van de bezwaaradviescommissie worden benoemd in een of meerdere kamers.
  5. De bezwaaradviescommissie stelt een reglement vast. Dit reglement wordt gepubliceerd op de website van het Instituut.
  6. Het Instituut stelt secretarissen ter beschikking aan de bezwaaradviescommissie.

Artikel 6.3    Behandeling bezwaar

  1. Het Instituut kan het bezwaar ter advisering voorleggen aan de bezwaaradviescommissie.
  2. Indien het Instituut het bezwaar niet voorlegt aan de bezwaaradviescommissie, hoort hij de aanvrager overeenkomstig het bepaalde in Afdeling 7.2 Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 6.4    Inschakeling deskundige in bezwaar

  1. Het Instituut en de bezwaaradviescommissie kunnen in het kader van de behandeling van het bezwaar één of meerdere deskundigen inschakelen. Artikel 1.5 is van overeenkomstige toepassing.
  2. Het Instituut stelt deskundigen ter beschikking aan de bezwaaradviescommissie.

HOOFDSTUK 7: SLOT

Artikel 7.1.       Intrekking

De procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen van 1 november 2021 wordt ingetrokken.

Artikel 7.2.       Inwerkingtreding

  1. Deze werkwijze treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
  2. Deze werkwijze en wijzigingen van deze werkwijze worden tevens gepubliceerd op de website van het Instituut.

Artikel 7.3.       Citeertitel

Deze werkwijze wordt aangehaald als: Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022.

Deze werkwijze wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.

Groningen, 14 april 2022

S.C.J.J. Kortmann
Voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

J.C. de Pagter
Plaatsvervangend voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

P.B.M.J. van der Beek – Gillessen
Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

M.Tj. Bouwes
Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

C.M. van Schie
Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

 

TOELICHTING

Oorspronkelijke versie: Staatscourant 2022, 18235 
Wijzigingen met toelichting: Staatscourant 2022, 32189